Vertalingen uit het Portugees

Melancholie

Melancholie.

De verbinding van het verdriet van het meisje met de traditie van melancholie levert voor de interpretatie van Ik Was een Jong Meisje interessante gezichtspunten op. De culturele connectie met het Italië van de renaissance was in de tijd van het Cancioneiro Geral al gelegd door de zgn. italianiserende dichters, waaronder men naast Francisco de Sá de Miranda nou juist Bernardim Ribeiro rekent. Vroeg in de Italiaanse renaissance werd in Florence de melancholie tot de houding van het moderne genie veredeld door de geleerde Marsiglio Ficino. De melancholie staat centraal in het hele werk van Francisco de Sá de Miranda en van Bernardim Ribeiro. Bewijzen voor een connectie met Ficino in de zin van reisbeschrijvingen en correspondentie tussen Bernardim en Italiaanse geleerden zijn er niet. Maar vanwege de frappante overeenkomsten zal ik in dit gedeelte de resultaten van Panofski en Saxl’s bronnenstudie over de melancholie en Saturnus, die ze ondernomen hebben naar aanleiding van Dürers ets Melencolia I, vergelijken met een aantal passages van Ik Was een Jong Meisje (Panofsky, Saxl 1923).

De verbinding tussen het genie van de kunstenaar en zijn melancholische aanleg heeft in humanistische kringen in Italië tot een bewuste beleving van de melancholie geleid (Panofsky, Saxl 1923: 31). Werd in middeleeuwse en antieke filosofische of medische tractaten de melancholie objectief als een ziekteverschijnsel beschreven en meestal afgewezen, in het humanisme kwamen kunstenaars en geleerden zelfbewust uit voor hun melancholische aanleg. In zijn tussen 1482 en 1489 geschreven ‘De Vita Triplice’ ontwikkelde de filosoof, arts, theoloog, astroloog en vertaler van Plato en Plotinus, Marsiglio Ficino (1433-1499) zijn op eigen ervaring gebaseerde leer over de melancholie en haar eeuwenoude band met de planeet Saturnus.

Ficino stond in een traditie die eeuwen terugging. In de medische leer der Grieken was de zwarte gal een kwaadaardig sap, dat in onjuiste proportie en te hoge of te lage temperatuur de patient tot aanvallen van epilepsie, diepe depressies en angst of doldriestheid kon brengen. Het gaat hier om de beschrijving van ziekteverschijnselen. Later kwam het accent meer op een temperamentsbeschrijving te liggen (Panofsky, Saxl 1923). Aristoteles stelde vast dat de melancholische aanleg onder gunstige voorwaarden de menselijke geest in staat stelde tot zijn grootste prestaties. Kunstenaars, filosofen en politici van betekenis waren immers allen melancholici geweest. Maar naast hun genialiteit leefden ze voortdurend onder het gevaar van de somberheid of de dwaze extase. In de middeleeuwen had men geen waardering voor de bijzondere scheppingskracht van de melancholicus. Toen bekeek Constantinus Africanus van de school van Salerno de melancholie uitsluitend als een ziekelijke verstoring van de normale geestestoestand, waartegen o.a. muziek een goede remedie was: “Het denken is voor de geest een inspanning zoals voor het lichaam het lopen en zoals de lichamelijke inspanning gevaarlijke ziektes kan veroorzaken, zo bewerkstelligt geestelijke inspanning de melancholie” (geciteerd in Panofsky, Saxl, 1923: 22). Deze opvattingen zijn tijdens de middeleeuwen erg populair geweest, zoals we onder andere bij Dom Duarte kunnen lezen. Wanneer de melancholische patient tot doffe berusting verviel, beging hij de doodzonde van de apathie (‘acedia’). Naar analogie van Saturnus sprak men van koude, trage en droge mensen.

De planeet Saturnus staat het verst weg aan de hemel, wentelt het traagst en zijn licht is erg zwak. Aan Saturnus werden in de traditie van de klassieke astrologie, aan de middeleeuwen in de negende eeuw doorgegeven door de Arabier Abu Massar (Panofsky, Saxl, 1922: 4-6), uiteenlopende en vaak tegenovergestelde kenmerken toegeschreven. Panofsky en Saxl hebben geprobeerd orde in de heterogeniteit der eigenschappen en toeschrijvingen aan te brengen. Saturnus is bij uitstek een God en een planeet van extremen geworden. Zij zien in de leer van de “hemelvaart van de ziel” uit de laat-hellenistische tijd beide extremen terugkeren. Vóór zijn aardse bestaan leefde de ziel in hoge sferen; tijdens zijn afdaling door de hemel heeft hij van de verschillende planeten bepaalde gaven ontvangen, die hij tijdens de terugkeer naar boven weer aflegt. Deze leer kent een optimistische en een pessimistische versie. Voor de gnostici is ginds een zondenloze wereld en heersen hier op aarde onreinheid en schuldigheid. Voor hen is de afdaling een zondeval, tijdens welke de planeten negatieve eigenschappen aan de ziel meegeven. Voor de neoplatonisten konden de gaven der sterren alleen maar positief zijn. De sterren verschijnen dus als goede en kwade machten tegelijkertijd. Saturnus kreeg zo twee kanten: doffe berusting, traagheid en bedrog tegenover verstand, waarachtigheid en goddelijk verlicht denken (Panofsky, Saxl, 1923: 11-15). Het woord ‘tegelijkertijd’ is hier van belang voor de latere noties van melancholie: de saturnalische mens, wie het lot van het goddelijk verlichte denken ten deel is gevallen, leeft onder het risico van somberheid en duisternis.

Aristoteles waarschuwde de melancholici al, dat ze zich in acht moesten nemen om niet in razernij te vervallen. Ficino beklaagde zich tegenover een vriend over zijn saturnalische gesteldheid als een louter negatieve eigenschap:

Ik weet tegenwoordig om het zo te zeggen, helemaal niet wat ik wil. Misschien wil ik ook helemaal niet wat ik weet en wil ik wat ik niet weet. De zekerheid, die jou door de goedheid van je in Vissen staande Jupiter gegarandeerd wordt, wordt mij onthouden door de kwaadaardigheid van mijn in Leeuw terugwaarts gaande Saturnus. (geciteerd in Panofsky, Saxl, 1923: 33)

Zijn vriend houdt hem de positieve kant van hetzelfde voor, nl. dat al zijn studies en inzichten een geschenk van Saturnus zijn:

“Klaag dus niet hem aan, die jou even hoog boven andere mensen heeft verheven als hijzelf boven de andere planeten staat. Het is, geloof me, hard nodig dat je in een gedicht je mening herroept en als je slim bent zing je dit zo spoedig als je kunt” (geciteerd in Panofsky, Saxl, 1923: 33).

Enkele jaren later herroept Ficino zijn mening in de al genoemde lange studie over de melancholie en Saturnus. ‘Studiosi’ zijn niet alleen door hun horoscoop maar ook door hun activiteit aan Saturnus onderworpen en gepredestineerd tot melancholie. Het ging hem erom middelen aan te reiken om hen tegen de gevaren ervan te beschermen. Naast een aantal medicinale planten schrijft hij hen vooral de muziek voor. Juist de ambivalentie en het risico van de melancholische staat, de dubbele ervaring van zowel ongelukkig zijn als weten dat je geniaal bent, het besef dat ongeluk en genie twee kanten van één medaille zijn, maken, volgens Panofsky en Saxl, dit zelfbewustzijn van de Italiaanse humanisten tot een genot.

Tegelijk met haar heroïsering is volgens Klibansky in de 15e eeuw de middeleeuwse medische en esoterische omschrijving van de melancholie in de sfeer van het volkse denken en spreken ‘afgedaald’. In de poëzie is dit gebeurd in de vorm van de personifiëring ervan in bijv. ‘Dame Mérencolye’ of in ‘Melencolie’. Dan verschijnt de ‘Dame Mérencolye’ als een huiveringwekkende gestalte, bleek, mager en in verscheurde lompen gehuld. In de romance ‘Le cuer d’amours espris’ van Koning René van Anjou (1480 overleden) verschijnt ‘Melencolie’ als een lange oude vrouw, mager, rimpelig en met verwarde haren (geciteerd in Klibansky, Panofsky, Saxl, 1990: 325). We hebben dan te maken met een allegorie, waarin de oude vrouw staat voor het abstracte gevoel van de melancholie en niet voor een mens, die eraan lijdt. Met name in de poëzie van de 15e eeuw is de melancholie van een temperament tot een stemming geworden en is er geen sprake van ziekte meer, al keren dan de concrete beschrijvingen van de ziekteverschijnselen uit de oude, voor het volk gesloten medische boeken als beelden in de poëzie terug. Iemand kan zich op een bepaald moment melancholisch voelen en op een ander niet; de eigenschappen van de melancholie worden overgedragen op landschappen, ruimtes en kleuren (Klibansky, Panofsky, Saxl, 1990: 319). Wanneer iemand melancholisch wordt, zoekt hij, in de teksten, de eenzaamheid op en ontmoet dan vrouwe melancholie in een fantasie. Het hele boek van Ik Was een Jong Meisje zou dus als een allegorische droom beschouwd kunnen worden, waarin het jonge meisje in de vorm van de dame uit de oude tijd de melancholie tegenkomt.

Van al de ideeën over de melancholie en de planeet Saturnus keren twee aspekten in Ik Was een Jong Meisje terug. In de eerste plaats zijn dat de symbolen van saturnalische gesteldheid zoals droogte, kou en verbondenheid aan de aarde, maar ook de nabijheid van water en de zee. Regelmatig worden er mensen verzwolgen of opgeslokt door de aarde. Op de plek waar Bilesa ter aarde is besteld, bouwt Lamentor (= de weeklager) zijn paleis, dat tijdens het vertellen van het verhaal van Binmarder steeds in aanbouw blijft. Het saturnalische houdt inderdaad ook constructie in. Op Dürer’s kopergravure “Melencolia I” zit de melancholische vrouw aan de voet van een in aanbouw zijnde toren. De oude opperherder, een wijs man en adviseur met de gave van het inzicht en dus de aanleg voor melancholie, klaagt over de droogte der aarde en raadt Binmarder aan de hele schuld van zijn leed aan de aarde te geven. De oude herder is omgeven door sluimerende honden. “Net als de diep nadenkende mens, moet de hond één enkele zaak najagen, opsporen en kan, net als de geleerde tot waanzin, bij een ontaarding van de sappen van de milt tot razernij vervallen” (Giehlow, geciteerd in Panofsky, Saxl 1923: 69). Deze honden verkeren in een hopeloos treurige schemertoestand en geven aan de passage van de opperherder een sfeer van sombere onheilsvoorspelling, zoals de sluimerende hond op Dürer’s ets. Ook de prominent voorkomende onrustige zee kan in dit verhaal met de saturnalische geestesgesteldheid in verband gebracht worden. Dat geldt voor de landschapsbeschrijving van de berg en de zee op de eerste pagina, maar ook voor Avalor’s nachtelijke vlucht op een bootje naar de zee aan het einde: “Meer doen de wateren van de zee / dan waarvan men op aankan”. We hebben hier te maken met oeroude symbolen van Saturnus, die alle in verband staan met een neerwaarts gerichte droefheid, die grenst aan waanzin. Het is de verbinding met de astrologie geweest, die de hele middeleeuwen door de oeroude herinnering aan Saturnus levendig heeft gehouden (Panofsky, Saxl, 1923: 6).

Een tweede aspect van het saturnalische is de verstandsverbijstering en de afgrond van waanzin of volledige apathie, waarin elke melancholicus dreigt te vallen. Het feit dat beide vrouwen de eenzaamheid in de natuur hebben opgezocht en elkaar daar ontmoeten, betekent dat ze lijden onder de melancholie. Op weg naar beneden is het jonge onervaren meisje drie keer gevallen, terwijl de oude vrouw met kalme tred loopt en trefzekere bewegingen maakt. Het jonge meisje herkent meteen haar lerares. De vrouw uit de oude tijd herkent haar eigen leed in het jonge meisje. “Ik zie dat u jong bent, u bent nog voor het leven in de wereld. Vervloekt zij het ongeluk, dat in u zo vroeg begonnen is en in mij, oud als ik ben nog steeds niet ophoudt!”. Ze plaatst haar vertellingen over de droevige ridders en jonkvrouwen in het kader van advies en troost. De oude vrouw poogt om zowel zichzelf als het meisje aan de apathie te laten ontsnappen en zegt dan dat haar lijden verlicht wordt door de kennis van de redeloosheid van het bestaan, zoals die blijkt uit de oude verhalen van de ridders. Toen was een “statig uitgedoste ridder op zijn prachtige ros” nog in staat tot evenveel verdriet als een eenzame in haar burcht opgesloten jonkvrouw, die weerloos aan de weerzin was overgeleverd. De melancholische ridders van ‘nu’ vervallen in doldrieste (onbesuisde) daden. De oude verhalen vormen voor haar een nostalgische troost uit onbereikbaar geworden vroegere tijden waarin ze wellicht minder had geleden. Het grote genoegen dat ze ontleent aan de ontmoeting met het meisje vindt zijn oorzaak in de vertroosting, die beide vrouwen in elkaars troosteloosheid kunnen vinden, als mensen die vergiftigd zijn en elkaar genezen met een tegengif. Het genot van de melancholie bestaat uit het inzicht, en eventueel de redding, verkregen door de terneergeslagenheid in al zijn diepte te ervaren. De oude vrouw zegt tegen het meisje: “Ik begrijp, dat trieste zaken u opmonteren…” Ze raadt het meisje aan zich niet openlijk over te geven aan haar verdriet, maar het bedekt te ondergaan: “Smart zo geleden wordt beter geleden, al doet ze niet minder pijn”.

Wanneer de oude vrouw het verhaal van Aónia en Binmarder vertelt, onderbreekt het jonge meisje haar, want ze lijdt aan, wat zij noemt, een gebrek aan verlangen. Maar de oude vrouw noemt het weerzin, een negatief gevolg van de melancholie. Even later dicht ze aan het liefdesverdriet van de hoofse liefde het melancholische fenomeen van de waanideeën toe. Op het moment dat Binmarder besluit uit verliefdheid te kiezen voor Aónia, legt de oude vrouw de connectie tussen de liefde en de verstandsverbijstering door een homerische vergelijking uit: verliefdheid is zoals wanneer tussen het zonlicht en de grond een afdak zit. Dan wordt de schaduw op de grond groter dan het afdak zelf: de verliefde ziet iets dat veel groter dan de werkelijkheid is en daar komt ellende van (p. 28). Tot de verstandsverbijstering hoort ook, dat de melancholische verliefde de liefde geweld aandoet en de afwezige minnaar beschuldigt van dingen, die deze niet gedaan heeft. Avalor, de ridder van het laatste verhaal, lijdt aan vlagen van waanzin, wanneer hij bezeten peinzend zijn gehele omgeving vergeet, of wanneer hij bij het zien van Arima omvalt, omdat ‘hij de kracht van de grote last voor zijn ogen niet besefte’. Bij het zien van Arima is hij niet meer zichzelf en verbeeldt zich dingen die er niet zijn. Avalor wordt zelfs een keer letterlijk als een melancholicus omschreven. Vergelijk deze beschrijving van de waanzin met de beschrijving van de melancholie door de arts Constantinus Africanus:

Een lichamelijk lijden met geestelijke bijverschijnselen: vrees voor iets dat niet gevreesd hoeft te worden, overweging van iets dat niet overwogen hoeft te worden, overtuigd zijn van het vreselijke en angstaanjagende van iets, dat evenwel niet gevreesd moet worden en de gewaarwording van dingen die er niet zijn. (geciteerd in Panofsky, Saxl, 1923: 21).

Binmarder probeert aan de gevaren van de verstandsverbijstering te ontsnappen. Hij wordt ook de herder van de fluit genoemd, die de muziek inzet als heelmiddel: “Na zijn zelfverloochening had hij de fluit gekozen als middel tegen de pijn … Want zijn enige troost in het ongeluk was op deze manier zijn van diepe gedachten vervulde hart te ontladen”. Zelfs het scheppende genie ontbreekt niet bij deze door muziek gecorrigeerde melancholie: “het in die lage stijl gestelde verhevene zette de verbeelding aan het werk en bewoog zo sneller tot medelijden. Tot zoveel is verbeeldingskracht in staat. (…) Hij waarde alsmaar rond en probeerde zijn verwarde geest, die hem met waanbeelden kwelde, tot de orde te roepen”. Het herderslied van Binmarder is één lange klacht over doodsverlangen en getuigt van zijn wanhopige onbegrip aangaande het hem aangedane leed. Ook hier zien we het scheppende genie, dat op de rand van de afgrond verkeert, terugkeren:

Zo groeide in korte tijd zoveel
Dat dieper is dan zijn kwelling.
Ik voel meer dan ik aankan.

Wanneer zijn kudde wordt aangevallen door een stier, werpt Binmarder “vanuit de kracht van zijn melancholie” een speer en verslaat hem, de doldrieste daad van een melancholicus. Van Avalor zou men kunnen beweren, dat hij in de waandenkbeelden is gevlucht na er niet toe te zijn overgegaan zijn liefde voor Arima te bekennen. Maar juist deze daad van ‘waanzin’ wordt in het boek omschreven als een door het geluk volbracht werk, als iets perfects ‘waarin geen oneffenheid van verlangen of van de aardse tijd ooit een plaats kreeg’. Hiermee belanden we in de duistere passages, die slechts voor ingewijden duidelijk zijn en het kader van de melancholie overschrijden. Avalor doorleeft zijn melancholie tot het bittere einde en put daaruit een goddelijk inzicht, waardoor hij van aardse lusten is bevrijd.

We kunnen de invloed van de renaissancistische heropleving van de melancholie als genot duidelijk herkennen. We zien ook, dat de fataliteit van de hoofse liefde wordt verbonden met de dubbele ervaring van de melancholie. Maar hiermee is de vraag of deze romances de melancholie tot thema hebben nog niet beantwoord. In de aanhef van de hele tekst staat de ballingschap centraal. Is deze slechts een aanleiding voor melancholische vertellingen of wordt de melancholie gepresenteerd als een gevolg ervan en staat de ballingschap en daarmee meer dan alleen de melancholie centraal?

Copyright: Ruud Ploegmakers

(c) Ruud Ploegmakers 2017