Vertalingen uit het Portugees

Onaf

 

IMG_0163In het boek worden drie verhalen over de liefde tussen ridders en edele jonkvrouwen verteld. Een jong meisje heeft ze opgetekend uit de mond van een ‘vrouw uit de oude tijd’. Deze heeft ze weer gehoord van een dienster in het huis van haar vader, die op haar beurt de verhalen kende als ‘oude geschiedenis’. Vervlogen tijden dus. De oude vrouw geeft wel een verschil aan tussen vroeger en de tijd waarin ze het verhaal vertelt: ‘tegenwoordig’ zijn de ridders vals en toen waren ze echt en hadden tenminste de twee ridders waarvan zij de liefdesverhalen vertelt, nog gevoelens. Wat is er gebeurd met de gevoelens van de jonkvrouwen en de ridders uit de verhalen? Op onverklaarbare en redeloze wijze hebben liefde en geluk ongeluk en verbanning voortgebracht en in de vrouwen hun toevlucht gevonden.

Het ongeluk van de oude vrouw wordt herkend door het jonge meisje, want beide hebben een geliefde verloren – het meisje haar minnaar en de oude vrouw haar zoon – en beide verkeren in ballingschap. Over het hen in de liefde overkomen ongeluk gaat het inleidende gedeelte totdat de oude vrouw de geschiedenissen van de drie paren begint te vertellen. Omdat van deze persoonlijke voorgeschiedenis niet meer wordt vermeld dan slechts deze twee feiten, lijken de vragen naar de oorsprong van en de omgang met het ongeluk op de voorgrond te staan: wat is smart, waartoe dient ze en waartoe uit men haar? Het allegorische karakter tilt de verhalen op een algemeen niveau van verdriet en melancholie. Om vergetelheid te zoeken zijn de beide vrouwen onafhankelijk van elkaar naar de beek in het dal bij de berg gegaan, maar daar wordt hun hoop op de dood verijdeld door hun ontmoeting en de daarop volgende verhalen, en dus ook door dit boek. De onrust van het verdriet houdt hen weg van de rust van de dood.

Een onaf boek
Laten we eerst stilstaan bij de twijfels die het meisje heeft bij het boekstaven van haar ongeluk. Wanneer ze zich afvraagt voor wie ze het boek schrijft, vat ze beknopt de kern van haar toestand samen. Ze is zo ongelukkig, dat ze van zichzelf vervreemd is geraakt – een bijna psychiatrische diagnose – en ze wil liever dood. De redeloosheid van haar verdriet drijft haar tot wanhoop en na twee alinea’s al begint ze te aarzelen of ze wel of niet zal schrijven. Ze voert de door haar spoedig verwachte dood als argument aan om niet te schrijven want ze wil niet het risico lopen haar boek onaf achter te laten. Maar dan besluit ze juist daarom het boek wel te schrijven, want als niets in haar leven voltooid is, waarom dan ook geen onaf boek afgeleverd? Meteen daarop brengt ze de eindeloosheid in verband met God’s wil. Zo lijkt ze te spelen met de begrippen ‘volkomen’ en ‘onbegrensd’ van psalm 119, die gaat over het vertrouwen dat het volgen van God’s geboden aan de mens in deze gevaarlijke wereld geeft: ‘Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is onbegrensd’ (Psalm 119: 96). Het enig tijdloze is God. Als haar verdriet oneindig is, dan lijkt het daarin op God. Dat ze het onaffe boek geschreven heeft weten wij, omdat we het kunnen lezen.

De uitspraak ‘zo God het wil’ lijkt een cliché te zijn, maar hier moeten we hem serieus nemen. De toestand van wanhoop over haar onbegrensde verdriet zou het meisje tot apathie kunnen brengen. In de middeleeuwen werd de melancholie niet als een ziekte, maar als een zonde beschouwd vanwege het risico van de zgn. ‘acedia’. Dan is de verwarring van de melancholicus zo groot geworden, dat hij tot ledigheid vervalt, tot afkeer van de plaats waar hij is, tot geringschatting van andere mensen en tot traagheid. Wie aan acedia lijdt verliest zijn zelfbeheersing en zijn vermogen tot affectie. Uit hem ebt het leven weg en zijn ziel valt niet meer samen met zijn lichaam (Solomon 2002: 319, Benjamin 1982: 121). We kunnen hiervoor het woord apathie gebruiken. Onder een verwijzing naar psalm 91:6 sprak men wel van ‘het verderf, dat op de middag vernielt’ (Solomon 2001: 317). Duistere gevoelens overvallen je op klaarlichte dag en je snapt er niets van. In de renaissance veranderde de negatieve waardering van de melancholie: vanaf toen werden aan de melancholicus ook voorspellende en creatieve gaven toegekend.

In haar wanhoop zoekt het meisje de verlatenheid op, waar ze het risico loopt een zo sterk doodsverlangen te ontwikkelen, dat ze, zoals ze zegt, niets meer wil. Maar ze komt tot inkeer en verklaart dat ze de tijd waarin ze wacht op de dood niet meer mag gebruiken om iets van haar eigen wil te doen, nl. te sterven, maar om God’s wil te doen. We zouden kunnen zeggen dat haar beroep op God’s wil haar treurnis behoedt voor het afglijden in de zonde van de apathie.

Maar het besluit God’s wil op te volgen lost haar problemen met het schrijven nog niet op. Wanneer ze haar mogelijke lezers opsomt, neemt het ritme van haar gevoelens haar mee. Vrolijke mensen worden er alleen maar droevig van en dat wenst ze hen niet toe. De droefgeestigen verdeelt ze in mannen en vrouwen: droevige mannen zijn er niet meer; droevige vrouwen hebben genoeg aan hun eigen droefheid. Zo vallen ook de droefgeestigen af. De enig overgeblevene, die het wel zou kunnen lezen, is voor eeuwig verdwenen. Dus schrijft ze het boekje voor niemand. Hoe meer lezers er afvallen, hoe direkter de smart in de tekst komt bovendrijven, vooral wanneer haar verdwenen vriend ter sprake komt. Dat realiseert het meisje zich en ze besluit, dat het boekje een spiegel van de wanorde in haar ziel zal zijn (‘Van treurnis kan niemand op geordende wijze verhalen, want ze grijpt in wanorde plaats’). Niet ophoudend ongeluk moet zich weerspiegelen in een niet af en dus niet perfect boek. Hiermee verwijst ze naar het abrupte einde én naar de emotionele lading van het boek, die een perfecte constructie en een vernuftige toepassing van de retorische regels in de weg staat. Maar wat misschien belangrijker is: ze legt het werk in de handen van God en geeft het zo een metafysiek karakter mee. Dit idee komt overeen met de ten tijde van dit boek nieuwe opvattingen over de melancholie, waarin het verheven aspect ervan benadrukt werd. Melancholie is een manifestatie van het verlangen naar het grote en eeuwige, maakt de ziel los van het aardse en dwingt de melancholicus in de richting van de zuiverheid. Ficino noemde de melancholie heroïsch (Benjamin 1982: 131). Het mistroostige van deze geestelijke tocht naar boven is het besef dat de menselijke kennis van God nooit toereikend kan zijn en dat het verlangen naar het verhevene, net als de liefde van de Provençaalse troubadours en de Bretonse ridders, tot een onvervulbaar heimwee wordt.

Copyright: Ruud Ploegmakers

(c) Ruud Ploegmakers 2017