Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 1

Als jong meisje ben ik uit het huis van mijn moeder gehaald en ver weg gebracht. Toen wist ik niet waarom dat gebeurde. Ik was nog klein. Nu weet ik alleen dat in die dagen al was beschikt wat daarna is gebeurd. Ik heb te lang in mijn moeders huis geleefd om elders nog te kunnen aarden. Bij haar was ik gelukkig, maar daarna is helaas in korte tijd alles veranderd wat moeizaam bereikt werd en lang moest duren. Door veel tegenslagen ben ik een droevig mens geworden en blijdschap over iets leuks duurt kort. Toen ik zag dat alles veranderde en kleine blijdschap tot groot verdriet kon leiden, werd ik zo mistroostig dat ik meer leed aan het goede dat ik kwijt was dan aan het kwade dat ik ervoor terugkreeg.

Mocht verlichting van mijn zorgen en verdriet mogelijk zijn, dan zoek ik die hier op deze berg. Hier wil ik de rest van mijn levensdagen doorbrengen, omdat hier menselijk contact is uitgesloten. Mijn hart verlangt al zo lang naar eenzaamheid. Het zou immers roekeloos zijn om na al het leed dat mijn ogen gezien hebben, de rust te verwachten die in de wereld niemand vergund is. Ik ben hier dus alleen, ver van iedereen en van mijzelf nog wel het meest. Ik zie niets dan aan de ene kant bergen die nooit veranderen en aan de andere kant het water van de zee dat nooit hetzelfde is. Hier meende ik mijn onheil te kunnen vergeten, want ikzelf en dit landschap hebben alles in stelling gebracht tegen een nieuwe pijn. Want beide zijn lang geleden al gevuld met smarten en dat niet zonder reden. Toch wint de tegenspoed nog steeds terrein, want oude voorspoed wordt niet gevolgd door nieuwe.

Acedia, uit: Rijksmuseum Amsterdam

Zo ben ik door een vreemd toeval naar een plek gebracht, waar mijn oog in de vorm van de dingen buiten mij zijn eigen angsten kreeg voorgeschoteld. Ook mijn oor kreeg zijn deel van de pijn. Op deze plek heb ik door het medelijden dat ik van een ander ontving ingezien dat ik me meer om mezelf, de oorsprong van mijn ongeluk, had kunnen bekommeren, als ik niet helemaal was opgegaan in het gevolg ervan, de smart. Ik heb altijd mijn ongeluk opgezocht en zo zelf mijn droefheid veroorzaakt. Ik ben er bijna zeker van dat de verandering, die zich nu in mij voltrokken heeft, toen al door mij werd gezocht. Want deze plek, waar ik erdoor getroffen ben, beviel me meer dan welke andere ook. Ik had de bedoeling de weinige dagen die me volgens mij nog restten, hier tot hun einde te brengen. Maar ook hierin heb ik me vergist, zoals in alles. Want ik ben nu al twee jaar hier en kan nog maar niet vaststellen wanneer mijn laatste uur gekomen is. Het kan niet lang meer duren.

En ik aarzelde of ik moest opschrijven wat ik gezien en gehoord heb. Maar na enig denken heb ik tegen mezelf gezegd dat de angst dat ik dit boekje over alles wat ik heb gezien niet af zou kunnen maken, geen reden hoeft te zijn het schrijven na te laten. Het was voor mezelf bedoeld en ik ben vertrouwd met wat niet af is. Wanneer heb ik ooit voltooid genoegen gezien of kwaad waaraan een einde kwam? Veeleer vond ik dat mijn tijd in deze verlatenheid niet bestemd was voor mijn eigen geestdrift. Want God heeft het gewild. Laat mijn geest dus door Hem gedreven worden.

Copyright: Ruud Ploegmakers

Naar origineel
Naar hoofdstuk 2

(c) Ruud Ploegmakers 2017