Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 12

dying knightEn die val was even hard als de botsing zelf. Hij bleef roerloos op de grond liggen. Lamentor steeg snel van zijn paard en toen hij bukte, was de ridder al buiten bewustzijn. Toen hij het vizier openklapte, was de ridder bleek en leek stervende. Maar even later kwam hij bij en sloeg met een zucht de ogen op naar de over hem heengebogen Lamentor. ‘Ach, ridder’, zei hij, ‘had het God maar behaagd dat ik u nooit of tenminste nu niet meer onder ogen hoefde te komen.’

Lamentor kreeg medelijden, vooral toen hij een paar tranen op zijn gezicht zag. Hij nam hem bij de arm, hielp hem op te staan en zei: ‘Over de liefde, heer ridder, kunt u zich wel degelijk beklagen, want zij dwong u deze brug te bewaken en mij u dit leed aan te doen. Ik heb dit gedaan onder de druk van mijn mannelijkheid, want ik deed het uit verliefdheid. In elke andere aangelegenheid wil ik u graag genoegdoening schenken, wanneer u het maar vraagt.’
De ridder van de brug zag dat hij zeer galant was en vond enkele woorden van dank redelijk, maar zijn hart was vol droefheid en hij slaagde er niet in zijn eigen galanterie voort te brengen. Omdat hij evenwel van hoge komaf was zei hij bij wijze van verontschuldiging: ‘Mateloze liefde leeft niet in het land van de rede. Ik zal wraak nemen wanneer ik naar elders vertrokken ben, waar ik mijn blik niet op een geliefde kan laten vallen. Deze wraak is een dure plicht die enkel en alleen op mijn schouders rust en mij geheel in beslag neemt.’

Hij wendde zich af en liep het dal in. Zoals later bleek, had hij door de harde val van binnen iets gebroken en hij kwam dus niet ver. Een schildknaap had zijn paard gehaald en liep achter hem aan. Bij hem gekomen, trof hij de ridder op zijn knieën op de grond aan. Hij wilde hem overeind helpen, maar zag dat de doodsstrijd begonnen was en begon hevig te huilen. Lamentor hoorde dat en ijlde ernaartoe en toen hij zag dat de schildknaap de stervende ridder in zijn armen hield, stapte hij snel van zijn paard, kwam naderbij en zag hoe de ridder op het allerlaatste moment van zijn leven wegzonk.

Lamentor sprak: ‘Wat is dit, heer ridder? Wees dapper! Dit is de ware overgang. Hiervoor bent u ridder geworden.’ Bij deze woorden ontwaakte de ridder en keek Lamentor aan. Hij strekte de rechterhand naar hem uit als een teken van vrede en zei met gebroken stem: ‘Als dapperheid iets voorstelt, zij het hem vergeven, dat hij me ontvalt nu het mijn plicht is te leven.’

De krachtsinspanning om deze woorden te spreken was de laatste van deze man die een grote smart in zich droeg. De adem ontvlood hem. Hij sloot zijn ogen en het was net alsof hij uit deze wereld was vertrokken. Even later echter opende hij ze weer en gebaarde met zijn gezicht in de richting van het kasteel van de jonkvrouw voor wie hij de overgang die toegang tot het hele dal gaf, had bewaakt en keek ernaar. Het leek hem eraan te herinneren, dat hij de acht dagen van de termijn die hem was gesteld niet zou volmaken. En hij sprak nog deze allerlaatste woorden: ‘Oh, kasteel, ik was vlakbij!’ Hierop vielen zijn vermoeide ogen voor altijd dicht.

Copyright: Ruud Ploegmakers

Naar hoofdstuk 13

(c) Ruud Ploegmakers 2017