Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 16a

schalmei 1Het verhaal was als volgt: ik heb u gezegd, als u het zich herinnert, dat ik nog maar één lied wist. Mijn vader had het van de min gehoord en die hoorde het per ongeluk: het werd minder druk en de herder zat met de fluit al een tijdje op een hoger gelegen stuk aan de oever van deze rivier en keek naar de overkant, vanwaar de min hem toevallig zag. Hij speelde zachtjes op de fluit, als het ware alleen voor zichzelf. En terwijl hij zo zat, kwam er ineens een door steekvliegen opgejaagde kudde koeien aangerend. Ze renden hem voorbij naar het water om er tot aan de borst in af te dalen. Hij hield op met spelen en keek eventjes behoedzaam om zich heen, terwijl hij de fluit bij zijn mond hield. Hij leek in trance. De min keek toe en wilde hem vragen door te gaan, want ze had genoten. Maar voordat ze iets kon zeggen, begon hij zachtjes op zijn fluit te spelen. De min hield zich stil want ze hoorde in de droefheid meer dan slechts een herder die fluit speelde en spitste haar oren. Na lange tijd liet hij de fluit los en begon te zingen:

Voor alles bestaat een medicijn,
behalve voor mijn pijn.
Helaas, dat heb ik hier pas door.

Heeft een koe last van vliegen
dan vlucht ze het water in.
Maar aan de pijn die mij kwelt,
is geen ontkomen, nergens in.
Hier vandaan kan ik niet,
hier blijven evenmin,
en wat ik wil, dat is hier niet.

Overal heerst diepe rust
en mijn vee put zich uit in arbeid:
‘s ochtends graast het in het groen,
’s middags op de droge weiden,
’s avonds slaapt het onbezorgd,
het ontbreekt hen aan niets,
maar ik vind nergens rust.

De zon stijgt elke ochtend op
en elke avond daalt hij weer.
Met even grote regelmaat
laat mijn smart niet van me af.
Pijn, en iets dat groter is,
met u stond ik deze morgen op
en ging ik gisteren de nacht in.

 Als ik me volledig geef
zal het overgaan, dacht ik.
Maar na een dag komt weer een,
na een ramp zie ik al de tweede.
Als het eind volgt op het begin,
dan ben ik slecht beraden
door in elk eind begin te zien.

Als mij onheil is beschoren
waar geen eind aan komt,
ware ik beter niet geboren.
Wanhoop kwelt mij hevig.
Dit is mijn gedachte nu,
hij sleurt mij blind met zich mee.
Helaas, dat heb ik hier pas door.

Onder de tranen van mijn klacht
is deze gedachte ontstaan.
Zo groeide in weinig tijd veel
dat dieper gaat dan deze kwelling.
Ik voel veel meer dan ik aankan.
Wie me zo alleen laat, doet me kwaad.
Want na mij is er geen andere ik.

Het einde, waar ik hevig naar verlang,
wordt alsmaar uitgesteld.
Het leven, dat ik niet verlangd heb,
verslijt en verteert me.
Tegenstrijdig in zichzelf,
leidt het lot mijn leven,
Waartoe ben ik op aarde?

 

(c) Ruud Ploegmakers 2017