Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 18

De avond was gevallen en iedereen lag al te slapen. Maar Belisa kreeg pijn, eerst licht, dan erger en tenslotte riep ze haar zuster, die vlak bij haar te bed lag. Toen jonkvrouw Aónia – zo heette haar zuster – wakker werd en van Belisa hoorde dat ze steeds meer pijn had, wekte ze de hofdames en een eerbare dame, die veel van bevallingen wist en daarom door Lamentor was meegenomen. Want toen ze vertrokken, was Belisa al zwanger. Als dit nog te verhullen was geweest, zou hij niet met haar naar dit verre land zijn getrokken. Maar in de nood zag de liefde geen andere uitweg dan de vlucht.

Voor Belisa ging niets boven de liefde voor Lamentor en daarom vroeg ze de andere vrouwen haar te helpen uit het bed waarin ze met Lamentor lag, naar dat van haar zuster zonder hem te wekken, want hij was vermoeid van de reis en moest goed uitrusten. En zo deden ze, zo stilletjes als ze konden. Ze brachten een groot deel van de nacht door met het klaarmaken van geneesmiddelen tegen de pijn van Belisa.

Maar jonkvrouw Aónia zag dat haar zuster steeds meer pijn had en vroeg:
‘Zuster, wilt u dat ik mijn schoonbroer roep?’
‘Heb medelijden met hem en laat hem liggen,’ zei ze. ‘Het zal God behagen dat deze pijn over gaat en dan winnen we tenminste zijn rust.’
‘Het zal God behagen’, sprak de eerbare dame aan de andere kant van het bed. ‘Want niets wijst erop, dat u al zo vroeg zult bevallen, vrouwe. De pijn moet van de reis komen of van de verandering van land…’

Maar toen het tegen de ochtend liep, was de pijn niet minder, maar juist groter geworden. Hij kwam in vlagen en verzwakte haar hart. De eerste vlaag doorstond ze en ook de tweede. Maar bij de derde was de pijn zo sterk dat ze even niet kon spreken. Toen ze weer tot zich kwam, keek ze haar zuster aan en zei:
‘Nu zou ik geen bezwaar maken, als u hem riep…’
Maar ze was nog niet uitgesproken of ze voelde zich weer beter en zei snel tegen haar zuster, die al op weg was om hem te roepen: ‘Roep hem toch maar niet, want ik voel me, geloof ik, al weer beter.’ En even voelde ze zich beter. Omdat het rijk versierde hemd dat ze aan had vuil was geworden van de geneesmiddelen die ze op haar hart hadden gelegd, zei ze tegen de vrouwen:
‘Geef me een ander hemd, want, als ik moet sterven, dan tenminste schoon.’

copyright: Ruud Ploegmakers

Naar hoofdstuk 19

(c) Ruud Ploegmakers 2017