Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 2

Mochten vrolijke mensen dit boek ooit vinden, dan moeten ze het niet lezen. Want als ze merken dat hun lot even wispelturig is als wat hier verteld wordt, dan zal hun leesgenot zich tegen hen keren. Dat zou mij pijn doen, waar ik ook ben, want het is al erg genoeg dat ik voor mijn eigen pijn ben geboren, laat staan voor die van anderen. Droefgeestigen mogen het wel lezen, maar sinds zij in de vrouwen troost gevonden hebben, zijn ze verdwenen. Ja, in de vrouwen, want in mannen is nooit liefde geweest. Maar ook voor vrouwen schrijf ik het niet, want hen in hun ongeluk te troosten met nog meer ongeluk is onmogelijk. Het zou redeloos zijn hun verdriet te vergroten door van hen te vragen het te lezen. Ik raad hen dringend aan aan het boek voorbij te gaan, zoals aan elke droefenis. Want ook zonder dit boek resten hen weinig vrolijke dagen. Dat is verordonneerd door het gesternte waaronder ze geboren worden.

Voor slechts één mens zou het wel kunnen bestaan. Maar van hem heb ik niets meer gehoord sinds ons beider lot hem heeft afgevoerd naar een ver en vreemd land waar hij vast en zeker in een vreugdeloos bestaan wordt vastgehouden. Mijn ware vriend, wie heeft jou bij mij vandaan gehaald en zo ver weggevoerd? Want alleen wij tweeën waren gewend om veel leed te doorstaan, al was dat niet zoveel als nu. Ik vertelde jou altijd alles. Maar jij bent weg en voor mij is nu alles doordrenkt met een droefenis die uitsluitend aan jouw heengaan kan denken. En om het nog erger te maken werd mij bij je vertrek de troost te weten waar je heenging, onthouden. Mijn blik kon zich niet daarheen richten om rust te vinden. Alles werd me in mijn ongeluk afgenomen. Mij is geen troost of herstel vergund, noch een snelle dood. Het lot heeft jou nog mild behandeld door je weg te halen. Dat je smart zou voelen was onvermijdelijk; dat je de mijne niet gehoord hebt, was de troost die het ongeluk jou heeft gelaten.

Wee mij, hoeveel ik ook praat, ik zal niet zien of de wind mijn woorden meeneemt en mij zo kan horen tot wie ik spreek. Ik weet dat ik niet ben voorbestemd voor wat ik nu wil gaan doen. Schrijven immers vergt een grote rust, en ik? Door smarten word ik heen en weer geslingerd en gedwongen de woorden te gebruiken die zij me ingeven. Niet verstand, maar verdriet drijft mij. Als dit boekje later ooit besproken wordt, zal dit tegen mij worden ingebracht. Wat mij is overkomen is daar dus schuld aan. Maar waarom kijk ik naar mezelf in termen van schuld of onschuld? Het boek kan immers alleen maar vol raken met wat erin terecht komt. Trieste zaken zijn niet in goede volgorde te vertellen, want ze gebeuren ordeloos en het maakt me eigenlijk niets uit of iemand het leest of niet, want ik doe dit maar voor één persoon. Of beter gezegd voor niemand, want van die ene hoor ik, zoals ik al zei, al heel lang niets. Maar als me ooit wordt vergund dat dit kleine onderpand van mijn lange weeklagen hem onder ogen komt, dan zal alleen dat al voldoende zijn, al heb ik nog zoveel verlangens.

71_2

Copyright: Ruud Ploegmakers

Naar origineel
Naar hoofdstuk 3

(c) Ruud Ploegmakers 2017