Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 20

doore tak:beekVrouwe Aónia herinnerde zich wat de weduwe had gedaan met het dode lichaam van haar broer en dat had haar toen een waardige en verplichte gewoonte in een periode van rouw geleken, al was het in haar eigen land geen gebruik. Zo wierp ze zich op de lichamen van haar zuster en Lamentor, rukte de sluier van haar wonderlijk mooie en lange haren en bedekte beide helemaal. Ze waande Lamentor immers ook dood. Omdat haar zuster zo veel van hem hield, geloofde zij dit blindelings, toen ze hem zo zag liggen. Zwaar zuchtend hief ze niettemin met luide stem deze woorden aan:

‘Wee mij, ik ben een jonkvrouw van weinig jaren en onbeschermd in een vreemd land, zonder verwanten of vrienden en zonder enige vreugde! Hoe kon jij, zuster, mij alleen achterlaten, ver van huis op een plek als deze! Om jouw eenzaamheid te verlichten vond jij dat ik met jou mee moest gaan, maar door jouw komst hier ben ik ten slotte de eenzame geworden. Wee mij, noodlottige, toen mijn moeder me grootbracht, had ze iets anders voor ogen. Zij is bedrogen en ik word ervoor gestraft. En wat u betreft, ridder, hoe onredelijk word ik nu behandeld! Vele jonkvrouwen vonden bij u toevlucht, maar ik vond niets. Wee mij, wat moet ik doen, waar moet ik heen?’

Met deze woorden wierp ze zich op het lichaam van haar zuster. Maar terwijl zij zo over de ridder sprak, ontwaakte deze als uit een droom en zag zichzelf vol pijn en tranen en kon even geen woord uitbrengen. Maar hij zag al snel hoe vrouwe Aónia zich de haren uitrukte, vatte moed, bewoog en zei om haar van de dood af te houden: ‘Wees dapper, vrouwe, want het lot heeft gewild dat een ontroostbare u troost!’
Hij hielp haar overeind en toen hij verder wilde spreken, stierven de woorden op zijn lippen en beide barstten uit in een deerniswekkende weeklacht. Ze stootten woorden van grote smart tot elkaar uit, aangeheven in pijn, gebroken in geween.

IMG_0163

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 21

(c) Ruud Ploegmakers 2017