Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 21

De ochtend was al helemaal licht, toen plotseling bij de brug een ridder te paard stond. Ook hij was van ver gekomen om een avontuur bij de brug te zoeken in opdracht van een jonkvrouw, die veel van hem hield. Maar bij hem ging het meer om plichtsbesef dan liefde. Toen hij bij de brug niemand aantrof en dichtbij luid geween hoorde, dacht hij aan iets zeer droevigs en mysterieus en besloot naar de plek te lopen waar het vandaan kwam. Hij zag de rijk versierde tent, hoorde binnen en buiten het geween van de vele mensen en vroeg een dienaar wat er aan de hand was. Deze gaf uitleg. Hij steeg van zijn paard en stuurde eerst een schildknaap van Lamentor vooruit en ging daarna op beleefde afstand zelf naar binnen.

Binnen zag hij meteen dat vrouwe Aónia bijzonder mooi was, al was ze door haar losse haren bedekt. Een deel ervan was nat van de tranen, zodat hij stukken van haar gezicht wel zag. En zonder dat iemand haar verdediging op zich nam, stroomde de liefde voor de jonkvrouw meteen door hem heen. Zijn liefde kwam tegelijk met zijn medelijden en zo leek het alsof hij slechts medelijden voelde. Maar bij binnenkomst in de tent drong tot hem de volledige waarheid meteen door. Alleen al bij het zien van Aónia’s schoonheid besefte hij wat er aan de hand was en die andere dame vervaagde terstond in zijn herinnering. Hij was zich slechts nog bewust dat de vele jaren in haar dienst verkwist waren. Op deze manier werd hij de gevangene van de liefde voor vrouwe Aónia en later zou hij voor haar sterven, want deze man was één van de twee vrienden over wie onze geschiedenis gaat. Daarom placht mijn vader te zeggen, dat de liefde van de ridder al dodelijke hartstocht was op het moment, dat ze zich opgericht had; maar het moment om dit te vertellen is nog niet aangebroken.

Hoewel Lamentor al op de hoogte was gebracht van de binnenkomst van de ridder, merkte hij hem pas op, toen deze naast hem stond en troostende woorden sprak. Lamentor probeerde te luisteren, niet uit oprechte interesse maar om te voorkomen dat de ridder lang van stof zou zijn. Toen hij na een tijdje merkte dat de ridder niet van weggaan repte, zei hij zonder het echt te willen:
‘Heer ridder, dank voor uw aanwezigheid. God geve dat ik in gelukkiger tijden iets terug kan doen. We zijn op reis en, zoals u ziet, hebben we geen grotere verblijfplaats dan deze. We hebben voor onze droefheid en onszelf slechts dit huis. U moet nu gaan, heer, naar waarheen u op weg bent. Zo zult u geen deel hebben aan dit grote verdriet. Andermans pijn treft ook altijd de toeschouwer. Vergeef me, maar uw welwillendheid kan hier niets uitrichten.’

De ridder liet zijn ogen over Aónia glijden en zei tot Lamentor: ‘Als ik hier wegga, heb ik geen doel.’ En hij leek te beseffen, dat zijn hart hier zou achterblijven en op zijn borst vielen een paar tranen. Maar omdat hij inzag dat zij slechts over deze en een andere, kleinere tent beschikten, begreep hij dat er voor hem als vreemdeling geen plaats was op dat moment, al voelde hij zich in zijn hart geen vreemdeling meer. En opstaande vervolgde hij: ‘Uw verdriet, heer, gaat mij helemaal niet aan, waar ik ook heenga. Van ganser harte zou ik u helpen er doorheen te komen. Maar, u bent tenslotte een ridder, meer nog, u komt van verre, zoals ik door een uwer dienaren te weten ben gekomen. Dit is vast niet het eerste verdriet dat u overkomt, want zelfs in hun eigen land, kunnen degenen die er nooit van weggaan, niet ontsnappen aan de aanblik van smarten, elke dag en op elk uur van de dag.’ Hij zei hem dat hij geheel ter beschikking stond en terwijl hij afscheid nam, hield hij zijn blik op vrouwe Aónia gericht en dit duurde even. Toen hij zich geheel moest omdraaien, scheurde hij zijn blik met veel pijn los. Zo vertrok hij uit de tent en zo zullen we hem laten tot zijn moment is aangebroken.
aardewerkbloemen

Copyright: Ruud Ploegmakers

Naar hoofdstuk 22

 

(c) Ruud Ploegmakers 2017