Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 22

doore tak:beekZodra de ridder uit het zicht was, wijdde Lamentor zich geheel aan zijn weeklacht en daar had hij alle redenen toe. Hij en zijn schoonzuster treurden lang. De zon stond al bijna op zijn hoogste punt, toen de eerbare dame binnenkwam – later zou ze min worden genoemd vanwege het zogen van het meisje. Ze was op leeftijd en had grote kennis. Ze begon te spreken:
‘Vrouwe en heer, om te treuren is er tijd in overvloed, want tegenspoed komt overal voor, hier en in ons eigen land. Houdt nu op met wenen, want op dit moment moet u, heer, zich een waar ridder tonen, en u, vrouwe, wees waarachtig vrouw. Bedenk dat droefheid niet uw voorrecht is. Iedereen kan grote tegenspoed doorstaan in eenzame lijdzaamheid en wederzijdse troost.  Al is onze smart eeuwig, wij hebben tenminste nog elkaar en kunnen voortleven. Maar denk aan de doden. Zij verdienen een graf. Daartoe moet u nu de noodzakelijke stappen zetten. Bedenk, dat een graf de laatste gift van het leven is. Als we het lichaam van vrouwe Belisa te lang boven de grond laten, belemmeren we het laatste stapje van haar vertrek. En wellicht ergert ze zich dan, omdat we haar zo weigeren wat haar toekomt op het moment dat zij ons nooit meer om iets kan vragen!’
Bij deze woorden werd iedereen zich scherp bewust van zijn eigen pijn en huilde. Toen de eerbare vrouw was uitgesproken, nam ze vrouwe Aónia bij de arm en bracht haar naar de kleine tent, die tegen de grote aan stond geleund. Daarna richtte ze zich tot Lamentor en leidde ook hem daarheen.

Vervolgens zag ze toe op de noodzakelijke voorbereidingen. Maar Lamentor wilde niet dat het lichaam van Belisa ergens anders werd heengebracht. Hij liet op de plek waar ze overleden was haar graf oprichten, want hij had in zijn geestdrift onmiddellijk besloten nooit van zijn leven meer van deze plaats weg te gaan. En zo gebeurde. In het rijk waar ze vandaan kwamen, waren alle verwanten gewoon het gelaat van de dode te kussen, voordat de lichamen aan de aarde werden toevertrouwd. De leden van de huishouding kusten de voeten en de meest naaste verwant kwam als laatste. Dit was de afscheidsgroet om een goede overgang af te roepen. Toen alles klaar was, de min Lamentor en Aónia geroepen had en beide gekomen waren, wierp vrouwe Aónia zich meteen op het gelaat van haar zuster, kuste haar en zei met luide stem: ‘Elders hadden veel meer vrouwen hun rouwbeklag gedaan dan hier!’ Hierop kraste ze in haar prachtige gelaat diepe schrammen en allen hieven een schitterende weeklacht ten hemel. Iedereen koesterde zijn smart en kuste haar voeten. Lamentor voelde het meeste pijn, omdat hij nog nooit had geleden en het ontrukte aan zijn ziel vele zuchten.

Hij ging bij zichzelf te rade naar wat hij volgens de gewoonte moest doen en sprak de volgende woorden: ‘Ach, vrouwe Belisa, hoe moet ik u groeten? Vanwege mij hebt u uw land en uw moeder verlaten! Iemand heeft in dit vreemde land u bij mij weggehaald om mij bedroefd te maken! U wilde toch slechts het goede voor mij, nietwaar? Het noodlot is afgunstig op mij geweest. Door u werd ik de vrolijkste ridder ter wereld, maar door het lot de meest gekwelde. Een ongelukkig ridder ben ik, terwijl voor u één graf in een vreemd land voorbeschikt was, heb ik bij leven er al twee: u heeft er één voor uw lichaam en ik twee, één voor mijn lichaam en één voor mijn ziel. Was die draad, die ons verbond, dan niet taaier, vrouwe? Hoe hebt u hem doorgesneden zonder mij? Hebt u niet bedacht, dat ik degene was, die zonder u niet meer kon leven? U heeft gevraagd, zo is me verteld, bij mij te worden weggehaald om mij niet uit de slaap te halen, maar ondertussen ontnam iemand anders mij in het geniep de rust, die u mij was. Mijn ongeluk was het niet genoeg, dat ik de droevigste ridder ter wereld werd, ook de manier waarop, moest de droevigste zijn. Ze hebben me geroepen, alleen maar om u niet meer te zien en zelfs toen gold uw pijn slechts mij. U wilde mijn tranen drogen maar mijn ongeluk wilde het niet: uw hand viel neer, alsof hij, als heer over uw geestdrift, u verliet en met uw allerlaatste blikken op mij gericht liet u me zien dat met de ziel als allerlaatste ook de geestdrift vertrok! Op mijn leeftijd had ik meer mijn plicht moeten doen voor uw heengaan, maar ik voelde me meer verplicht aan mijn droefenis. Als ik die dan dragen moet, is het beter zonder u!’
En met deze woorden voltrok hij de gebruikelijke rites. Maar de min zag dat er niemand anders was om de last van de allerlaatste eer op zich te nemen dan zijzelf en ze duwde Lamentor en Aónia naar achteren, pakte een rijk geborduurde doek op en zei, terwijl ze die over het gelaat van Belisa legde: ‘Jullie hoeven niet meer naar de grond te kijken, waar zij gelukkig in terecht is gekomen. Want zij is nu stof. Wie het aardse bemint, terwijl zij eruit is vertrokken, zal dwalen in zijn liefde voor haar.’
Deze woorden waren voor hen een grote troost, voorzover hun verdriet zich nu liet troosten. Maar op deze manier hebben ze haar begraven.

dood

Copyright: Ruud Ploegmakers

(c) Ruud Ploegmakers 2017