Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 25

herdersNiet lang daarna kwam één van de dienaren van Lamentor voorbij. Hij was op weg naar het kasteel en zo kwam Binmarder te weten, dat Lamentor opdracht had gegeven daar enkele grote paleizen te bouwen om er de rest van zijn leven te gaan wonen. Dit stelde Binmarder weer wat gerust, want tevoren had hij zich afgemat met zijn grote onzekerheid over Aónia’s verblijfplaats in dat land. Deze zorg zette hem nu niet meer onder druk, maar hij kreeg er wel een nieuwe bij: wat moest hij van zichzelf maken, waar moest hij naar toe?

Bij dit probleem stond hij tot diep in de nacht stil zonder een besluit te nemen. Van hier weggaan, viel hem zwaar; blijven en zich tegelijkertijd verbergen voor de schildknaap leek hem onmogelijk. Heen en weer geslingerd tussen deze zorgen stond hij besluiteloos op, niet uit vrije wil maar gedwongen door de nacht. Hij zocht zijn paard, dat door de schildknaap was achtergelaten, maar vond het niet en keerde terug naar de eik, waar hij al geweest was om te kijken of het in de rivier was gaan drinken. Maar toen hij hier ook niets vond of rook, leunde hij tegen de boom en zijn gedachten bleven slechts kort bij zijn paard hangen.

Al snel werd hij gegrepen door zijn echte zorgen. Want hij maakte in zijn fantasie, zo leek het, van vrouwe Aónia een beeld en gaf haar gestalte zoals hij haar gezien had. En van verliefd medelijden liepen hem de tranen uit de ogen. Terwijl hij geheel in beslag was genomen door die zoete droefheid, voelde hij als het ware iemand naast zich.

En toen hij in het maanlicht opkeek, zag hij dichtbij de schim van een man van een omvang, die wij niet kennen. Hij werd onrustig van deze plotseling verschenen nieuwigheid, maar dapper als hij was, ging zijn hand naar zijn zwaard en hij verstoutte zich te vragen wie daar was. En toen hij zag dat de man zich stilhield, nam hij met getrokken zwaard de juiste houding aan en zei: ‘Of u zegt me wie u bent of ik zal het zelf te weten komen!’

‘Rustig, Binmarder,’ zei de schaduw en noemde hem bij zijn naam, ‘Zelfs een wenende jonkvrouw heeft u klein gekregen.’
Binmarder schrok en hield zich in, want hij had tot dan toe aangenomen, dat niemand zijnpaard001 nieuwe naam kende. En toen hij dan ook wilde vragen hoe de schim dat wist, keek hij halverwege zijn woorden op en zag dat de schim naar een paar dichte bosschages vlakbij bewoog en verdween. Binmarder’s gedachten waren vol van wat dat kon zijn, toen hij een luid lawaai uit het bos op hem af hoorde komen. En het was nog niet tot hem doorgedrongen, of hij zag zijn paard voorbij galopperen. Enkele wolven renden erachteraan en achter de wolven kwamen van verre een paar luid blaffende honden. En toen het paard over de beek wilde springen, viel het en de wolven kwamen erbij en begonnen het overal te bijten. Toen Binmarder te hulp snelde, was het paard al half dood. Kort daarop kwamen enkele herders, die even verderop de kraal van hun vee hadden, op het geblaf van de honden af, denkend dat een kalf van de kudde was gedood. En toen ze Binmarder terneergeslagen zagen zitten, wilden ze hem met hun boerse woorden en manieren troosten en boden hem een rustplaats voor de nacht aan.

Naar hoofdstuk 26

(c) Ruud Ploegmakers 2017