Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 26

DürerhondVanwege het late uur nam hij het voorstel aan, al wilde hij eigenlijk geen gezelschap hebben. Bovendien schoot hem door het hoofd, dat hij, eenmaal aangekomen bij hun kudde, door de herders met rust zou worden gelaten, want zij gebruikten de nacht alleen maar om te slapen. Dan kon hij zich toeleggen op zijn smart.

Zo liepen ze naar een grote kudde koeien, die vanwege het tumult van de honden en uit angst voor de wolven allemaal met de kop omhoog stonden. De herders en Binmarder liepen tussen de koeien door. Ze weken langzaam terwijl hun horens tegen elkaar stootten. En midden in de kudde op een enigszins schone dorsvloer, die wat hoger lag dan de grond eromheen, brandde een groot houtvuur en daarbij stond een hutje van gevlochten riet met een dak van over elkaar gelegde schorsen van de kurkeik. En dichtbij het vuur lag voor een andere hut op een bed van groene takken een herder met al volledig witte haren. Hij was de oudste van de troep. Zijn hoofd rustte op een stuk hout. Enkele kleine herdershonden lagen gedeeltelijk over hem heen en een paar grotere hadden hun koppen tegen hem aangelegd.

Bij de aankomst van de herders richtte de oudste herder zijn hoofd een beetje op en als iemand die van wanten wist bij dergelijke voorvallen begon hij hen kalm te ondervragen over wat ze hadden meegemaakt. Ze rapporteerden hem dat er geen enkel dier dood was en dat ze een ridder hadden meegebracht. Hij kwam overeind en maakte een plaatsje vrij op de groene takken en vroeg Binmarder om te komen zitten. Toen hij plaatsnam en alle andere om het vuur zaten, vroeg de oude herder Binmarder te vertellen hoe die ramp gebeurd was. Om hem genoegdoening te geven bracht deze in het kort verslag uit, hoe hij zijn paard had laten grazen en er toen wolven waren gekomen die het gedood hadden, voordat hij het had kunnen redden.

droevige herder001Daarop begon de oude herder met een diepe stem te spreken, alsof hij hem wilde troosten voor de tegenslag die hem was overkomen en zei: ‘De rampen die door de wilde beesten in dit dal gebeuren, zijn angstaanjagend maar als je ermee weet om te gaan, zijn ze nog wel te verdragen en zolang je niet alleen bent, kun je elkaar troosten. Toen ik nog jong was, werd me in een winternacht een koe met witte poten gestolen, de moeder van die andere met witte poten die ik nu nog steeds heb en ze werd gedood. Toen had ik een gevlekte hond en een teef, die zijn moeder was. Beide hielden de nek steeds gestrekt, zodat ik me op elke verlaten plek of diep in de nacht altijd veilig voelde alsof het middag was. Maar in die nacht waren ze van weinig nut, hoe hard ik ook riep. De arme koe loeide zo van de pijn, dat ze in korte tijd al het vee dat ik dat seizoen had, bij elkaar riep en het kwam waarachtig van ver weg. Hier, op klaarlichte dag, werden toen alle kalveren die ik had en die nog niet met hun moeders mee naar buiten konden, gedood.’
‘Waarom bent u dan nog hier, eerwaarde herder?’ vroeg Binmarder.

Copyright: Ruud Ploegmakers

Naar hoofdstuk 27

(c) Ruud Ploegmakers 2017