Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 27

dromende ridder‘Geen bezit is zonder verlies’, antwoordde de herder, ‘Hebt u ooit iets anders gezien? De aarde is vol weidegrond en produceert zowel het goede als het kwade. Ik heb een groot man, die zaken van de andere wereld toegewijd was, ooit horen spreken over hoe de wereld bevolkt is geraakt – al zijn hele gedeelten tot woud bestemd, herders zitten overal; en dit was, volgens hem, één van de wonderen van de wereld: uit één en dezelfde aarde komen er twee voort, die aan elkaar tegengesteld zijn en dat ervaren niet alleen wilde dieren, maar ook mensen. Want waar een goed mens is, is ook altijd een slecht mens en waar te stelen is, zijn dieven.

‘Maar wat mij aangaat, ik weet niet wat slechter is voor ons, herders: op grond, waar weinig gras is, vergaat ons vee van de honger en hier wordt het gedood, zodat we er in beide gevallen even slecht voor staan. Maar wij zijn uiteindelijk, zoals gezegd wordt, hetzelfde als alle andere mensen. U weet dat beter, heer ridder. We kunnen het kwaad dat een ander ons aandoet, beter verdragen dan dat wat we onszelf aandoen. De schade van armoedige aarde vinden we ondraaglijk juist wanneer we nog weg kunnen gaan, en kunnen we niet meer weg, dan houden we het zelfs op een stenen ondergrond zo lang mogelijk uit. En zo zeg ik u, heer ridder, in uw geval, laat de moed niet zakken. Rust uit en leg de schuld van alles bij de aarde.’

Die woorden leken Binmarder juist. En als de herder die hem de waarheid over zijn leven had verteld iets anders was geweest, zou hij niet op het idee gekomen zijn dat een herder tot hem had gesproken. Maar iedereen kan van de minste ervaring al verslag doen. Daarom antwoordde hij met slechts enkele woorden van dank voor de goede troost en zei dat hij wilde slapen. Hierop beval de oude herder allen te gaan liggen en slapen. Aldus gebeurde. En in korte tijd strekten de herders hun boerse ledematen naar alle kanten uit, schots en scheef zoals het hen in hun slaap uitkwam en ze lagen al snel te snurken. Alleen Binmarder kon de slaap niet vatten, want zijn hart was vol van degene die tegenover hem op dit moment nog onverschillig was.

Terwijl de duistere helderheid van de sterren alle anderen tot de slaap maande, hielden zijn zorgen hem eruit. Zijn ogen keken in de richting vanwaar hij gekomen was, maar alleen zijn lichaam was gekomen. In zijn geest zag hij nog steeds de afwezige vrouwe Aónia huilend voor zich staan. En de hele nacht bleef hij wakker, totdat vermoeidheid zijn zintuigen tot rust dwong. Maar over zijn dromen en verbeelding had zijn lichaam niets te zeggen.

stieren2Na een korte slaap werd hij meteen weer wakker, badend in de tranen vanwege een droom waarin de schaduw die hij tevoren gezien had, hem meenam. En zo doorkruisten vele gedachten zijn geest en hij besloot pas uit dit land te vertrekken wanneer hij zeker wist wat er van hem worden zou met alle zorgen die hem in een handomdraai te pakken hadden gekregen maar nu niet meer loslieten. Als hij ging, zou hij ingaan tegen wat de droom hem had voorspeld, bedacht hij. Zijn verlangen om daar niet vandaan te gaan, was erg sterk. Alles leek hem op te roepen om te blijven. Na veel nadenken kwam hij tenslotte tot het volgende besluit. Hij zou vroeg afscheid nemen en naar een plek dichtbij gaan om andere kleren aan te doen, dan terugkeren en om werk vragen, want de oude herder had, dacht hij, een grote kudde. Al had de oude man veel knechten, het lage loon zorgde ervoor dat hij voortdurend herders nodig had. Aldus deed hij.

Copyright Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 28

(c) Ruud Ploegmakers 2017