Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 3

kale berg1Dit is de hoogste berg en de eenzaamheid is hier anders dan op de andere. Hier leidde ik mijn leven zoals ik kon. Soms ging ik naar de diepe dalen die de berg beneden omzomen, dan weer naar de hoogste toppen om vandaar te zien waar het land ophield en de zee zich uitstrekte tot waar niemand haar nog kon zien. Maar wanneer, conform mijn gedachten, de nacht kwam en ik de vogels, elkaar toeroepend, hun nest zag opzoeken en de nacht de aarde zelf tot rust leek te willen brengen, dan zocht ik, bedroefder en bezorgder dan bij het ontwaken, mijn armzalig huisje op om te slapen en alleen God weet hoe.

Zo bracht ik mijn tijd door tot ik, tegen het einde van één van die nachten, opstond en de ochtend in al haar pracht zag komen. Hij daalde gracieus vanuit de hoogte naar de dalen. De zon was al voor de helft gerezen en nam bezit van de toppen, als iemand die zich meester wilde maken van de aarde. De zoete vogels sloegen hun vleugels uit en zochten elkaar weer op. Omringd door hun vee speelden de herders op hun fluit en klommen al naar de hoogste hellingen. Voor iedereen begon die dag dus vrolijk.

Terwijl hun tegendeel opkwam, zochten mijn eenzame smarten in mij een toevlucht en brachten  me door hun overmacht onder ogen hoe die dag ook voor mij vrolijk had kunnen worden als niet alles zo veranderd was. Waar al het andere blij van werd, gaf mij slechts reden tot droefheid. En zoals het lot al bevolen had, begon de onrust in mij te rijzen door de herinnering aan een tijd die geweest is – was die maar nooit geweest – en, toen ik er helemaal door overmeesterd was, kon ik bij mijn huis het leed niet meer verdragen en verlangde naar stille plekken, waar ik mij in weeklachten kon laten gaan. Ik ging meteen op stap. De hitte sloeg neer en onderweg ben ik door de haast drie of vier keer gevallen. Maar na al mijn droefheid was ik nergens meer bang voor en lette niet op. Het was een teken van God, die me wilde waarschuwen voor de verandering die in aantocht was. Bij de oever aangekomen, zocht ik aan de overkant de beste schaduw op.

Zo zie je maar, zei ik tegen mezelf, dat je voortdurend uit bent op wat het moeilijkst te krijgen is. De overkant was alleen maar via het water te bereiken en dat was hier stiller maar wel dieper dan elders. Nog steeds uit op mijn nadeel stak ik over en ging zitten onder de donkere schaduw van een iets lager staande groene es. Enkele takken reikten tot boven het water, dat hier een beetje sneller stroomde en, gehinderd door een steen die er middenin lag, murmelend twee kanten opging. Ik keek vol angst toe.

foto beekDe gedachte bekroop me, dat ook de stoffelijke dingen, die geen verstandelijke vermogens bezitten, een vorm van elkaar pijnigen kennen en ik probeerde er vertroosting voor mijn ongeluk uit te putten door te bedenken dat die steen het water dat zijn weg wilde gaan, pijnigde, precies zoals mijn ongeluk dat vroeger had gedaan met alles wat ik het liefste wilde. Nu wil ik niets meer. En toen werd ik door huiveringen overmeesterd, want achter de steen kwam het water weer bijeen en zette zijn weg zonder enig geruis voort, terwijl het sneller stroomde dan ervóór en ik zei bij mezelf dat het water snel van die steen weg wilde, omdat die een vijand van zijn natuurlijke loop was en daar geweld uitoefende.

Copyright: Ruud Ploegmakers

Naar origineel
Naar hoofdstuk 4

(c) Ruud Ploegmakers 2017