Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 30

jonkvrouw‘Wij vrouwen zijn droevig’, zo antwoordde ze mij, ‘en we zullen elk verlangen al snel weerzin noemen, want niemand zal ervan opkijken als de woorden of het begrip ervan veranderd zijn bij ons, bij wie ook vele andere dingen veranderd zijn waarvan niemand ooit zou hebben gezegd dat ze konden veranderen. En bovendien, vrouwe mijn dochter, ziet u me het heden vanuit het verleden beoordelen, terwijl ik nu op een leeftijd ben waarop voorbije droefheden voor mij toch onbenulligheden zouden moeten zijn. Welnu, als u me toch zo ziet oordelen komt dat juist, omdat het leed aan alles wat me triest maakte op den langen duur niet minder is geworden. Ik denk daar erg vaak aan en ik zeg u, dat het zo heeft moeten zijn. Als het lot al heeft besloten me weerzin te geven, heeft het ook het leven in de pas met de pijn laten lopen, opdat het leven niet boven de pijn uitstijgt en ze dus beide even lang duren. Ik maak hieruit op dat mijn pijn met de jaren evenveel groeit als het leven. Vergeef me dat ik van de hak op de tak spring en alsmaar over mezelf praat, terwijl ik mijn belofte nog moet inlossen. Ieder wordt door zijn eigen smart gedragen. Zo ben ook ik in mijn daden: ik ben op weg het ene te doen maar doe het andere. Vaak ben ik mezelf een schande’.

‘U hoeft zich, vrouwe’, antwoordde ik haar, ‘bij mij helemaal niet te verontschuldigen. Hoe meer ik u zie, hoe meer ik ervan overtuigd ben, dat de bedoeling van uw komst is geweest dat ik naar u zou luisteren. Want tot nu toe verbaasde ik mezelf er steeds over, dat mijn pijn voortduurde, terwijl de oorzaak ervan allang voorbij was. De pijn sleet maar niet met de tijd, zoals al het andere dat bij pijn hoort dat wel doet. In mijn smart begreep ik dit niet en daarom begon ik de schuld ervan aan juist hem te geven, en daarom was nou net hij gedwongen mij nog grotere pijn aan te doen. Maar… waarom zeg ik “juist hem… nou net hij”?’

Hier stond ik op het punt nog iets te zeggen, maar het feit, dat wij elkaar slechts kort kenden, weerhield mij; ik zweeg, maar op zo’n manier, dat het leek alsof ik tegen mijn zin zweeg. Delicaat veinsde ze dat ze mijn “juist hem… nou net hij” niet gehoord had, maar dat dit geveinsd was, zou blijken uit het einde van de woorden die ze nu ging zeggen. Ze rechtte vastberaden de rug:

‘Van de schuld die je geeft aan iemand om wie je geeft, komt altijd pijn en inderdaad, ik zou niet om u geven, als ik u dat allerslechtste gaf. Maar ik verbaas me er veeleer over dat iemand, die om iemand geeft, schuld kan geven aan om wie hij geeft, behalve dan, zo zeg ik opnieuw, omdat dit mogelijk is vanwege de pijn die daarvan komt. Die zien ze aan voor de wraak van het geweld, dat ze zichzelf aandoen. Ik ben ook jong geweest, vrouwe. Net als u heb ik iemand tegen mijn zin beschuldigd. Groot is mijn verdriet vaak geweest omdat ik mezelf niet kon vrijpleiten, alleen door een ander te beschuldigen. Dat waren de waanideeën van de liefde… Dat heeft de liefde in zich, met al die andere ontelbare redeloosheden, waaraan men lijdt zoals zij het heeft gewild, want in al ons lijden stopt zij dingen, die men nou net alleen maar vanwege juist hem doorstaat.’

IMG_0163

copyright Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 31

(c) Ruud Ploegmakers 2017