Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 32

arcadia4

Alles kwam altijd wel goed,
Maar voor mij ging die regel niet op.
Hoor hoe ik dat heb ontdekt.

Verjaagd door de vliegen,
rennen mijn koeien het water in.
Maar ik, door leed gebeten,
heb geen uitweg, nergens in.
Weggaan kon ik niet,
blijven zou ongepast zijn,
wat ik wil, zal niet zijn.

Als de hitte heel groot is
krijgt mijn vee tijd om te rusten,
vroeg in de ochtend grazen,
’s middags de dorre weide,
’s avonds zorgeloos het donker.
Alles staat voor hen klaar,
maar ik heb nooit rust gehad.

Al zal de zon elke dag stijgen,
en ’s avonds weer dalen,
al zal zelfs diepe rust neerzijgen,
nooit laat de pijn mij met rust.
Pijn en al wat u nog meer zij,
met u sta ik in de morgen op
en ga ik in de nacht naar bed.

 Aan het leed komt een eind,
dacht ik, als ik me overgeef.
Zoals na een nacht weer een dag komt,
ken ik na één onheil al het tweede.
Als eind tegenover begin staat,
dan heb ik mijzelf slecht voorzien
door in elk einde begin te zien.

Ben ik voor mijn onheil geboren
zonder zicht op het einde,
dan sterf ik liever
dan in wanhoop te leven.
Deze kwelling is hevig
en sleept mij blind met zich mee.
Hoor hoe ik dat ontdekt heb.

 Tussen tranen en klachten
is deze gedachte ontstaan.
In weinig tijd groeide zoveel
dat dieper gaat dan mijn kwelling.
Wat ik voel overstijgt wat ik kan.
Wie me zo vergeet, maakt een fout.
Want na mij is er geen andere ik.

Zolang sleept het zich voort
het eind, waarop ik hoop,
dat mijn leven, waarin ik geen
hoop heb gesteld, me verslijt.
ik ben vecht aldoor met mezelf,
en word door het lot geleid.

Ik weet niet waarom ik leef!

copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 33

(c) Ruud Ploegmakers 2017