Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 33

droevige herder001Bij de laatste regel kon hij zijn tranen niet meer inhouden en, alsof hij erdoor gehinderd was, zweeg hij zonder hem af te maken. Zo begreep de min het, toen hij zijn fluit liet vallen en de slip van zijn mouw oppakte om de tranen te drogen. Haar greep zo’n groot medelijden aan, dat ze, daar waar ze zat, haar eigen tranen ook niet kon inhouden. Ze wilde hem iets zeggen toen vanuit het huis een stem haar terugriep. Het kostte haar veel inspanning overeind te komen maar ze stond op en liep weg, haar verbeelding nog vol van het grote mysterie dat die herder haar was.

En omdat wat voorbestemd is te gebeuren, altijd prompt de eerste de beste gelegenheid aangrijpt, begon de min, zodra ze in het huis kwam en Aónia aantrof, in goede trouw en zonder enige kwade bedoeling haar alles te vertellen. Ze bezwoer haar tot twee keer toe dat hij onmogelijk een herder kon zijn. Omdat Aónia de taal van dat land al erg goed verstond, zei de min haar de woorden van het lied voor. Ze kwam aan bij het moment dat de herder bij de allerlaatste woorden de fluit op de grond had laten vallen en met de mouw van zijn ruwe wollen herdersmantel de opgewelde tranen had weggeveegd en er daarna naar had gekeken terwijl hij hem in beide handen vasthield en, dat hij toen, alsof hij zich herinnerde uit wat voor een grove wol hij gemaakt was – dat dacht ze tenminste al wist ze niet precies waarom – zijn gezicht erin had gedrukt, zo tussen zijn handen. En dat hij na een lange zucht, zijn gezicht nog steeds bedekt had gehouden en op het moment dat zij aankwam zich nog steeds zo bedekt had gehouden en, toen ze haar inmiddels geroepen hadden en ze gegaan was, was ze bedroefd geworden als ze sinds lang niet meer vanwege de zaak van een ander geworden was. En toen de min de woorden “zaak van een ander” uitsprak, vulden haar ogen zich met tranen, wendde ze zich af en ging iets in het huishouden doen.

Jonkvrouw Aónia was toen nog een jong meisje van hooguit dertien of veertien jaar, dat niet wist wat ‘houden van’ betekende en ze besproeide haar mooie gezicht met enkele tranen van medelijden en via dit medelijden vulde ze voor het eerst haar zintuigen met hem. Zo’n effect heeft soms wat men slechts gehoord heeft. En als ze geen jong meisje geweest was, had ze spoedig alles begrepen. Maar op dat moment begreep ze het niet. Duizenden keren op die dag vroeg ze, steeds opnieuw, of de min of haar het lied voorzei of vertelde hoe hij was. Zo stelde ze ook precies de juiste vraag, hoe hij eruit zag en de min zei: ‘Ik heb hem al eerder gezien: een mooi lichaam, goed geproportioneerd en zijn gezicht is even mooi: de baard is dun en kort, het lijkt zijn eerste; de ogen zijn helder maar soms beneveld. Aan zijn houding zie je meteen, dat droefheid zijn hart bedrukt.’

ornament002

copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 34

(c) Ruud Ploegmakers 2017