Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 35

Kreta-Knossos-stierEn toen zij zag dat hij niet bewoog en zelfs zijn ogen niet afwendde vanwaar zij stond te kijken, dacht zij dat hij de stieren niet zag, omdat hij daar rustig bleef staan. Een andere verklaring kon er niet zijn. Hierdoor volledig in beslag genomen, zag ze dat de stieren al vlakbij hem waren en viel flauw. Toen ze bijkwam keek ze opnieuw. Omdat ze van een afstand toekeek en de stieren haar het zicht op hem ontnamen, dacht ze dat hij te pakken genomen was en viel opnieuw als dood neer. Binmarder zag dit en, omdat hij steeds slechts haar kant op keek, was zijn hart meteen doordrongen van wat er aan de hand was. En al had hij vele redenen om aan haar gevoelens te twijfelen en helemaal geen zekerheid omdat, voorzover hij wist, Aónia geen kennis van zijn gevoelens had, geloofde hij er toch in. Want aldus wilde het de grote liefde, dat alles wat twijfelachtig is, zeker wordt of voor zeker worden gehouden.

Hij putte kracht uit de melancholie, waarin hij vanwege zijn vermoedens verkeerde, en wierp een grote staf die hij in de hand had naar de vreemde stier, die zijn eigen stier al bijna verslagen had. En zijn goede geluk wilde, dat hij de stier een poot brak. Dapper wierp hij zich op hem en greep hem bij één van de horens. Omdat Binmarder erg sterk was en geholpen werd door zijn eigen stier, die uit natuurlijk instinct de hulp herkende zodat hij hem op zijn manier ook begon te helpen, had hij al heel snel de vreemde stier op de grond en draaide zijn kop naar de hemel, zodat deze zich niet meer kon verroeren.

Alle mensen van het huis zagen het, ze waren op het grote lawaai en gebrul van de stieren afgekomen en iedereen stond paf van de kracht van de herder en ze spraken over niets anders. De min had het ook gezien en ging op zoek naar Aónia om het te vertellen. Maar toen ze haar niet in haar kamer vond, herinnerde ze zich, dat ze op het platdak was. Daar trof ze haar liggend aan en toen ze dichterbij kwam leek het of ze van deze wereld was vertrokken. Ze riep luid Ai en legde een hand op haar gezicht, maar op haar kreet was Aónia wakker geworden als vanuit een zware vermoeidheid. En omdat heel haar denken in beslag was genomen door de herder, begon ze zich een beeld te vormen van wat ze vreesde en dacht ze dat wat de min deed, uit medelijden met de herder was, want zo had ze ook gehuild, toen ze vertelde wat de herder de vorige dag gedaan had en het eerste wat ze zei was: ‘En de herder?’

Toen de min dit hoorde was ze gerustgesteld en bedacht dat Aónia was flauwgevallen toen ze het gevecht dat de herder met de stier was aangegaan, had gezien. Iets dat gebruikelijk is bij vrouwen. Maar het was iets anders, iets groters dat even tevoren onmogelijk was geweest en op dit moment in haar gedachten nog steeds bijna ondenkbaar was. Maar alles is al mogelijk voordat je het bedenkt en gemeten in lange periodes is niets nieuw. Toen vertelde de min alles wat de herder overkomen was. En teruggekeerd in haar krachten, stond Aónia op en beide keken even naar de stier die op de grond lag.

Er waren daar veel mensen, knechts van het huis en van de bouw. Omdat ze zich schaamde gezien te worden ging Aónia weg, want ze was zeer welopgevoed. Anders was ze gebleven. Maar ze ging dus, al was het duidelijk tegen haar zin, omdat ze alles begrepen had. Het was echter haar eerste vermoeden van liefde en daarom was het nog niet geheel tot haar doorgedrongen, behalve dan dat ze het met zich zelf erover eens was dat als hij geen herder was, ze heel wel van hem zou kunnen houden. Aónia liep meteen naar haar kamer om zich aan te kleden en toen ze zich terugtrok, zag ze toevallig een dienstmaagd, die kennelijk ook naar het gevecht van de stieren was gaan kijken.

Toen deze terugkeerde naar het huis, waar de min ook al was, begon de dienstmaagd nogal luid te praten en zei: ‘Vrouwe min, wilt u weten wat er gebeurd is?” Hierop zweeg ze alsof ze in hevige verwondering verkeerde. Toen Aónia dit hoorde ging ze achter het deurgordijn van haar kamer staan luisteren.

IMG_0484

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 36

(c) Ruud Ploegmakers 2017