Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 4

laosticTerwijl ik aldus nadacht, streek even later een nachtegaal neer op een groene tak die tot over het water reikte. Zijn zoete zang trok al mijn aandacht. Het vogeltje groeide allengs in zijn klacht. Soms leek het vermoeid op te willen houden. Maar dan begon het weer, fris alsof het net begonnen was. Droevig beestje, hoe het is gebeurd weet ik niet maar tijdens zijn klaagzang viel het pardoes dood in het water en in zijn val tussen de takken door trok het vele bladeren met zich mee. Dat betekende dat die boom medelijden had met zijn desastreuze lot. Het water nam het vogeltje en de bladeren mee. Ik had het graag opgevist, maar de stroom was daar te sterk en het struikgewas groeide helemaal tot beneden in de rivier. Zo verdween het schielijk uit mijn zicht.

Mijn hart deed pijn, toen ik zag hoe snel was doodgegaan wie nog kort tevoren had zitten zingen en ik kon mijn tranen niet inhouden. Ik had ik nooit gedacht dat ik na zoveel leed nog vol overgave kon huilen vanwege iets van deze wereld. Maar mijn tranen waren niet vergeefs, al waren ze veroorzaakt door het ongeluk van het vogeltje, want toen zij vielen, vielen vele andere trieste herinneringen mee. Lang heb ik zo stilgezeten, de ogen vertroebeld door de vele bekommernissen, die mij al zo lang benauwen. En ik zal zo stil blijven, totdat een vreemdeling uit medelijden met zijn handen mij de ogen, die er nooit genoeg van kregen me pijn te tonen, sluit.

treurende vrouw001Terwijl ik zo naar het stromende water zat te kijken, hoorde ik het struikgewas ritselen. Ik wist niet wat het was en werd bang, maar toen ik mijn ogen opsloeg, zag ik een vrouw aankomen. Mijn aandacht was gewekt en ik stelde vast dat ze lang en mooi was. Ze had het voorkomen en het gelaat van een dame, een vrouw uit de oude tijd. Ze was helemaal in het zwart gekleed. Door haar kalme tred en de trefzekere bewegingen van haar lichaam, gezicht en blik leek zij iemand van aanzien. Ze was alleen en lette net voldoende op om de takken alleen dan af te weren, wanneer ze haar het lopen belemmerden of in het gelaat dreigden te slaan. Met haar voeten waadde ze door het koele gras waarover haar jurk sleepte. Ze tastte voorzichtig met haar voeten de grond af en hield af en toe vermoeid de adem in, alsof haar ziel het wilde begeven. Dichtbij gekomen, merkte ze me op en sloeg de handen ineen, zoals vrouwen dat uit angst doen. Ze deed alsof ze iets dat ze niet gewend was, had gezien, en ik voelde me ook zo, niet uit angst, want haar goede gedaante logenstrafte die meteen, maar vanwege het nieuwe van iets, dat ik daar nog nooit had gezien al had ik die plek en die beek al vaak vanwege mijn ongeluk opgezocht. Niet lang daarna leek zij ook van mij te ontdekken dat ik van goede gestalte was.

Copyright: Ruud Ploegmakers

Naar hoofdstuk 5

 

(c) Ruud Ploegmakers 2017