Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 40

treurende vrouw001

De min sprak verder: ‘Het is, naar mijn mening, een groot goed om geen vijandschappen in zichzelf te dulden, want er is geen plek in de wereld, waar iemand tegen zichzelf beschermd wordt. Vijanden, of kou en regen, kun je nog afweren. Maar verdriet niet, dat kun je eventueel verdringen, maar nooit verhinderen. Als iemand doet wat hij moet doen, maar het loopt niet af zoals het moet, dan zal hij niet meteen verdriet voelen – dat zeg ik niet – wel boosheid, want als je ook maar het meest redeloze doel mist, word je boos. Maar ik zeg wel, dat mocht de afloop boosheid opleveren, dan zal ook het verdriet oprijzen, want dat hoort er nu eenmaal bij.  Gelukkig in dit leven is hij die het verdriet draaglijk houdt, want zonder verdriet valt niet te leven.’

‘In de liefde, zo zou je kunnen denken, is dit niet nodig en ongewoon. Maar ik vind, dat het juist hierin harder nodig is. Als je, om fouten te voorkomen bij alles wat je onderneemt al moet letten op het hoe, het wanneer, het waarom of het waartoe, dan vooral in de liefde, want die is erg onderhevig aan fouten. Een rijke reiziger zou het zichzelf meer kwalijk nemen, als hij onbeschermd zou zijn op een plek die door dieven wordt bezocht, dan op een plek waar geen dieven zijn. Als hem op de laatste iets zou gebeuren zou hij de schuld aan het toeval kunnen geven, maar op de eerste zou hij zichzelf de schuld moeten geven en deze schuld is moeilijker kwijt te schelden.

Daarom, vrouwe Aónia, vraag ik u van mij te leren, want ik heb schuld gezien en de schade die ze aanricht. Zoals iemand in het goede een betere vriend van zichzelf is dan van een ander, zo is hij, wanneer hij in onenigheid met zichzelf verkeert, ook in het kwade een grotere vijand van zichzelf dan van een ander. En deze vijand is niet af te schrikken, want hij is een huisgenoot, zoals ze zeggen. Ik vind het verschrikkelijk om het u te zeggen, maar het was nodig dat ik het zei en ik wist dit alles zodat ik het u moest zeggen. Het is beter, vrouwe, ontevreden te zijn dan berouw te hebben.’

Hier maakte de min een korte pauze, niet omdat ze klaar was, maar om uit te rusten, want ze had in de zin Aónia alles te zeggen. Ze merkte echter dat deze sliep. Eerst dacht ze dat het gespeeld was en ze nam het meisje een tijd lang in ogenschouw. Tenslotte gaf ze haar met de hand een tikje en vergewiste zich er zo van dat ze sliep. Waarschijnlijk was ze in slaap gevallen vanwege haar ongewone gevoelens. Ze was jong en had nog nooit zoiets doorgemaakt. De min dacht weliswaar met huiver aan wat er gebeurd was, iets waar zijzelf al doorheen gegaan was, maar toch dacht ze dat dit het was: de grote smart der liefde sust jonge meisjes in slaap en houdt oude vrouwen wakker. Deze gedachte overtuigde haar en ze viel ook in slaap.

vlinder002

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 41

(c) Ruud Ploegmakers 2017