Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 48

hoofse liefde2Toen brak die dag aan. Omdat Binmarder geen vee meer hoedde, liep hij voor het krieken van de dag al langs de oever van de rivier en zag in grote getale mensen te paard aankomen en over de brug naar de paleizen van Lamentor gaan. Maar op dat moment was er niemand aan wie hij kon vragen wat het was. Toch trok hij zich niet terug, want al snel woelden gedachten door zijn hoofd en overheerste de wil het te weten hem. Want meestal is het zo, dat wat moet gebeuren eerst in de ziel rijst en, waren we waakzaam, dan zouden we snel alles of een deel van wat staat te gebeuren, begrijpen.

Toen de ruiters waren afgestapt, bleven ze lang bij Lamentor. Daarna kwamen ze één voor één naar buiten en maakten verheugde gebaren. Binmarder merkte ook dames te paard op en hij zag de rij mensen naar de brug gaan, waar hij op het idee kwam aan een page te vragen wat er aan de hand was. Deze zei het hem en liep door, maar Binmarder geloofde het niet, zo groot was de schok in zijn hart.

Maar, toekijkende, zag hij Aónia en met aan haar linkerkant haar echtgenoot, kenbaar aan zijn uitdossing en aan de manier waarop beide met elkaar praatten. Omdat Binmarder naar alles keek, alsof het de allerlaatste keer was, zag hij het heel goed. Aónia heeft zich geen enkele keer naar zijn kant gewend, omdat ze wist dat ze hem nog steeds toebehoorde. Maar omdat zij zich steeds boog naar de kant waar haar echtgenoot reed, dacht hij dat ze dat veel meer deed, dan ze in feite heeft gedaan. Bovendien dacht hij dat ze het met opzet deed. Want dit is natuurlijk: wanneer iemand in uw ogen een fout maakt, dan neemt u alles wat hij daarna doet op de slechtste manier op en dat is hier voorgevallen. Het deed Binmarder zo’n vreselijke pijn, dat hij een uur lang niets dacht. En toen ze weg was, draaide hij zich om en ging en ze hebben hem nooit meer gezien.

Dezelfde dag in de namiddag ging Enis naar hem op zoek maar vond hem niet. Dus deed ze navraag. En een andere herder zei haar, dat hij toevallig naast hem had gestaan om naar alaucassin et nicolette-7 die mensen te kijken en dat hij, toen zij was weggegaan, een tijd lang bewegingloos stil had gestaan zonder zijn blik van de grond op te heffen, als de nadenkende mens, die hij was. Zolang, dat het hem was opgevallen en toen hij hem erop had willen aanspreken, was hij de andere kant op gelopen, naar de rivier toe en hij was heel vastbesloten weggelopen en verdwenen. En hij had hem niet meer gezien. Hij was daarop naar de berg van zijn chef gegaan om daar naar hem te vragen en te zeggen, dat hij zijn vee moest hoeden, dat zonder leiding rondliep. En van de berg uit waren ze ook naar hem wezen zoeken door het hele bos en iedereen dacht dat hij weg was, omdat hij zoiets nooit deed en een ander liep nu met zijn vee.

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 49

(c) Ruud Ploegmakers 2017