Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 5

Saturnisch

‘Ik ben verbaasd’, zo begon ze te spreken, ‘ik zie een eenzame jonge vrouw, nadat mijn grote ongeluk aan iedereen …’ en na een lange aarzeling en al in tranen ging ze voort, ‘… mijn zoon heeft ontnomen.’
Daarop haalde ze een zakdoek uit haar mouw en op mij toe lopend veegde ze haar gezicht af. Ik stond op en maakte een buiging. Haar persoon en haar begroeting vereisten dat. En ze zei:
‘Ik ben het niet gewend iemand tegen te komen, want ik leef al heel lang in deze verlatenheid zonder anderen te zien. Ik zou graag willen weten, vrouwe, wie u bent en wat u, zo mooi en zo alleen, hier doet.’
Mijn antwoord bleef uit want ik aarzelde over wat ik haar zou zeggen. Ze leek dit te begrijpen en zei:
‘U kunt me alles vertellen, want ik ben een vrouw als u, en ik herken nog meer in u want, van dichtbij lijkt u erg bedroefd. Uw betraande ogen doen uw schoonheid die ik van verre zag, tekort.’
‘Vrouwe,’ antwoordde ik, ‘wat u van verre lijkt te zijn bent u ook van dichtbij. Wat u mij ook vraagt, ik kan het niet weigeren. Aan uw kleding en uw houding zie ik dat u diep bedroefd bent, en dat ben ik ook, al heel lang. Omdat ik nauwelijks kan verhullen dat ik de gevangene van mijn langdurige smarten ben, wil ik nergens om vragen, maar zou u eerder nog moeten danken voor het feit dat u benieuwd naar mij bent. Zo krijgt mijn ongeluk tenminste een oor.’
‘Spreek dan,’ zo zei ze me, ‘want als u zich aan mij verplicht, doordat ik naar u luister, zal ik mij op een nieuwe manier aan u verplichten. En vanwege de staat waarin u verkeert, wil ik graag bij u in het krijt staan.’

Ik voldeed aan haar verzoek en zei: ‘Ik ben ooit een jonkvrouw geweest en sinds kort leef ik op de berg aan de overkant van deze beek en zal niet meer lang leven. Ik ben geboren en opgegroeid in een land vol mensen. Vandaar ben ik naar deze verlatenheid gevlucht, waar slechts de smart heerst die ik heb meegebracht. Zoals u ziet is het water dat in dit dal stroomt helder, zijn de bomen hoog en valt hun dichte schaduw over het groene gras. Hier maken de bloemen het zich behaaglijk tot de rand van het koude water en strijken heerlijke vogels eenzaam op hun zoete nesten neer. Alles stemt hier zo overeen met mijn zorgen dat ik de meeste tijd dat de zon boven de aarde staat, hier doorbreng en door de eenzaamheid, die u ziet, vergezeld ben. Al lang volg ik deze weg en heb nog nooit iemand gezien, op u na. Vanwege de grote weemoed van dit dal en van al het land eromheen heb ik me hierheen gewaagd.

Een mooie vrouw, dat ziet u goed, ben ik niet meer. Ik heb geen wapens om aan te vallen en wat heb ik te verdedigen? Ik kan overal veilig heengaan, beschermd tegen alles behalve mijn verdriet. Waar ik ook ga, het volgt me. Kort hiervoor was ik alleen en keek naar die steen en terwijl ik bedacht dat hij het water dat zijn weg wilde gaan, pijnigde, kwam voor mijn ogen, op die tak daar die het water bedekt, een nachtegaal zitten en zong zoetjes. Af en toe leek het of een andere hem van verre antwoordde. Terwijl hij uit volle borst zong, viel hij dood neer in het water en dat voerde hem zo snel mee dat ik hem niet meer kon oppakken. Hieruit verhief zich een grote smart, zodat ik ontwaakte uit mijn eigen droevige gemijmer waaraan ook grote rampen ten oorsprong lagen en die me weghaalden van die plek waarheen ik niet terug kan …’

Bij deze woorden kon ik door mijn tranen niets meer zien en bracht mijn handen naar mijn ogen.
‘…en dit, vrouwe, deed ik toen u verscheen en ik doe het vaak, want als ik niet voluit huil, sta ik op het punt in huilen uit te barsten.’
Ik had geantwoord en hield me even in, want ik vroeg me af of ik iets anders over haar mocht vragen, en wel wat de oorzaak was van haar tranen, toen ze pas na een lange aarzeling kon zeggen ‘… mijn zoon heeft ontnomen.’

Bosgrond

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar Hoofdstuk 6

 

 

(c) Ruud Ploegmakers 2017