Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 6

vertelsterMaar zij dacht dat ik dit wellicht voor me hield en zei: ‘Maar hieraan is te zien, vrouwe, dat u van elders komt en nog maar kort hier bent, want u schrikt van de rampen die bij deze beek gebeuren. Wel, er wordt hier in deze contreien vaak een verhaal verteld, dat lang geleden is gebeurd. Ik herinner me dat ik het als kind al als een oud verhaal aan mijn vader hoorde vertellen. Nu nog denk ik er graag aan, vanwege de grootse rampspoed die erin voorkwam. En al kan niemand in andermans onheil vertroosting vinden, gedeeltelijk word ik in mijn lijden geholpen door de wetenschap dat de dingen vanouds zonder rede en zelfs tegen de rede in tot stand komen. Omdat u dit verhaal nog niet gehoord hebt, zou ik het u graag vertellen. Ik begrijp dat trieste zaken u opmonteren, zoals u me zegt.’

‘De zon staat al hoog’, antwoordde ik, ‘en ik wil het verhaal graag horen. U vertelt het immers. Ook weet ik nu dat ik niet vergeefs hier ben gekomen, want droefheid is hier al heel lang gewoon. Ik had u eerst iets anders willen vragen, vrouwe, maar dat komt later wel want er is tijd voor alles, en omdat deze geschiedenis naar uw zeggen er een van droefheden is, kan hij nooit korter duren dan een dag…’
‘De dagen duren lang,’ antwoordde zij, ‘lang genoeg om het u naar de zin te maken. Uw tevredenheid zal mij voldoening geven. Maar zeg me, wat wilt u eerst?’
‘Iets, waaraan u nu nog steeds graag denkt,’ antwoordde ik haar, ‘zal nooit te min zijn om gehoord te worden. Het antwoord op mijn eerdere vraag zult u later ooit wel geven. Als ik u er dan aan herinner, weet u het vast en zeker weer. Maak hier niet uit op, dat ik uw verhaal niet wil horen. Dat is slechts mogelijk als het niet van droefheid handelt. En droefheid geeft mij zoveel genot, dat de tijd voor mij nu al te kort is. Daarom, vertel, vrouwe, vertel eerst uw verhaal. Het is immers triest. Laten we de tijd daaraan besteden, daartoe is zij ons, u en mij, gegeven’.

melancholie1‘Wee mij,’ begon ze, ‘om mezelf pijn te doen zoek ik andermans ongeluk, alsof het mijne me niet genoeg is en dat is al groot. Vaak schrik ik in mijn eenzaamheid dat ik zoveel moet verdragen. Hierdoor kwam ik vanuit de verte niet zonder reden bedroefd op u over en bedroefd ben ik ook van dichtbij. Zo is het met mij gesteld, en als u dit geweten had, zou ik op u nog droeviger zijn overgekomen. Door de onophoudelijke en oneindige pijn is mijn arme lichaam zo aan lijden gewend, dat het er nu in woont. Dit is de grootste klacht die ik over mijn lichaam heb. Er is niets, waar het zich door langdurige gewenning nog voor afsluit. En zo leef ik al vele jaren niet voor mezelf en ben ik naar deze verlatenheden gevlucht voor al de mensen voor wie het slechts dag of nacht wordt. Groot was mijn blijdschap in u een vriendin in droefheid aan te treffen. In heel onze ontroostbaarheid zullen we bij elkaar vertroosting vinden. Het is als met iemand die vergiftigd is en zich geneest met een ander gif. Vanouds bestaat hier een afzondering van de mensen, waardoor ik al sinds lang geen reden heb gezien om te spreken’.

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 7

(c) Ruud Ploegmakers 2017