Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 7

tristesse3‘Maar meteen toen ik u zag, werd ik door een verandering getroffen. En ik begon pas echt naar u te kijken nadat ik met u gesproken had. En nu ik u langer zie, vind ik steeds meer redenen  om naar u te kijken. Uw woorden van zoëven zeggen me dat uw hart erg bezwaard moet zijn. Uit de rimpels die de pijn in uw gezicht getrokken heeft, – en voor zorgen is uw gezicht niet gemaakt – begrijp ik hoe erg u aan zorgen bent uitgeleverd, want die groeven ontstaan niet zomaar. Ik zie dat u jong bent, u bestaat nog om in de wereld te leven. Vervloekt zij het ongeluk, dat in u zo vroeg begonnen is en in mij, oud als ik ben, nog steeds niet ophoudt! O zo graag wilde ik, dat u me vertelde van uw droefheden, één voor één, want het weinige dat ik zojuist van u hoorde, was net genoeg voor een beetje pijn. Maar als u, vrouwe, aldus al tevreden bent, dan ben ik het ook, want ik geniet ook van u. Omdat u het ongeluk niet hebt kunnen vermijden, is het feit dat u kwaad ondergaan hebt niet zo belangrijk, maar wel dat u de smart niet openlijk belijdt. Smart zo geleden, wordt beter geleden, al doet ze niet minder pijn’.

‘Dit is het ergste voor ons trieste vrouwen, dat we niet over het tegengif tegen het ongeluk beschikken dat de mannen wel hebben, want in de korte tijd dat ik leef, is de les die ik geleerd heb, dat er in mannen geen droefheid is. Alleen de vrouwen zijn droevig, want toen de droefheid zag dat de mannen te druk in de weer waren – het is met hen als met de andere dingen, die voortdurend veranderen, ze waaien uiteen en gaan verloren – en ze door dat drukke gedoe gehinderd werd, heeft ze zich tot ons, arme vrouwen, gewend, ofwel omdat ze veranderingen verfoeide, ofwel omdat de vrouwen er niet in slaagden aan haar te ontkomen. En, voorwaar, het ongeluk is redeloos en zwaar, het zou de mannen moeten overkomen. Maar met hen heeft het niet uit de voeten gekund en dus heeft het zich tot ons gewend als tot het zwakste deel. En zo lijden we aan twee kwaden: het ene dat ons eigen is en het andere, dat niet voor ons gemaakt is. De mannen zijn hier helemaal niet op uit. Wat van de vrouw is, deert hen niet. Ze zijn er al lang  aan gewend hun droefheid niet hoog aan te slaan. Maar of de vrouwen hierom terecht droeviger zijn of niet, dat zal diegene weten, die snapt hoeveel pijn het doet de waarheid onbekend te houden.’

Hierbij kon ik een vermoeide zucht diep uit mijn ziel niet inhouden. En zij voelde dit, al camoufleerde ik hem. Ze strekte haar rechterhand uit, nam de mijne stil, omzichtig en behoedzaam vast en begon te spreken, alsof tot mij, en zei:

‘Toen ik uw leeftijd had, woonde ik nog in het huis van mijn vader. Tijdens onze lange winteravonden zaten sommige vrouwen te spinnen en wikkelden anderen de draden op een klos en dan kozen we meestal ter verlichting van het werk één van ons uit om verhalen te vertellen, dan leek de avond niet zo lang. En er was een al wat oudere dienares, die veel gezien en gehoord had. damasZij zei altijd dat alleen haar deze taak toekwam. Dan vertelde ze geschiedenissen van dolende ridders. En heus, door de gevaren en de grote avonturen waaraan deze zich in haar verhalen vanwege de jonkvrouwen blootstelden, had ik met hen te doen, want ik stelde me voor hoe een statig uitgedoste ridder op zijn prachtig ros langs de rivieroever bij dit lieflijke veld trok.  Maar hij kon nooit zo bedroefd zijn als een tere maagd, die slechts tussen de wanden van haar hoge vertrek op een bankje stil mocht zitten, een zwak hoopje mens omringd door hoge en sterke verdedigingswallen. Die muren waren hoog opgetrokken om de geestdrift bij haar weg te houden, maar tegen de verveling had ze geen verweer. Ridders mogen hun droefheid zelfs veinzen, maar jonge vrouwen mogen niet eens echt voelen wat de mannen veinzen. Kon ik, na deze les geleerd te hebben maar teruggaan in de tijd, dan zou ik minder lijden dan ik heb geleden. Want van leed moet je kunnen verwachten, dat het ergens toe leidt. Anders zou je niet moeten lijden of ten minste niet moeten laten zien, dat je lijdt’.

copyright: Ruud Ploegmakers
Naar hoofdstuk 8

(c) Ruud Ploegmakers 2017