Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 76

dromende ridderZo is het mij gebeurd, dat ik op een dag aan het jagen was in een van deze dichte bosjes. Toen stootte ik per ongeluk op een ridder die net als ik hier rondliep, verkleed als jager. Hij was vanwege mij op jacht was gegaan, zo liet hij mij op bedrieglijke wijze geloven. Omdat hij zomaar ineens voor me stond, had ik een pas naar achteren willen doen om te vluchten en ik deed daadwerkelijk de eerste stappen al, toen hij, die harder liep dan ik, schielijk achter mij aanging en me niet ver vanwaar we nu zijn, inhaalde. En hij sprak woorden van liefde en stelde me met vertroetelingen en strelingen gerust: ‘Ik ben gelukkig niet wie u, vrouwe, denkt’.

En tijdens deze woorden liet hij een enkele traan door zijn goeduitziende baard lopen. Hij vertelde me wie hij was, hoe hij genoemd werd en omdat hij al heel lang hier als jager rondliep met de enige hoop mij nog eens te zien, liet hij me dus geloven, dat hij me al eens elders gezien had en dat ik sindsdien niet één dag meer uit zijn gedachten was verdwenen. Zo sprak hij tot mij valselijk die bedrieglijke woorden, die ik, al was ik lelijk geweest, toen meende wel te moeten geloven. Wat heb ik, droevige, me vergist! Wat zal ik u tenslotte nog zeggen? Ik was tevreden met al het behagen, dat hij me toonde en in die grote liefde brachten we alle twee vier volledige, lange jaren, die ons toen als dagen voorkwamen, door.

En nu, nu ze voorbij zijn en ik aan het begin van mijn grote ongeluk sta, is er dus een andere nimf hier in deze bosjes gekomen. Zij scheen hem ook goed toe, naar is gebleken. In het geheim gingen ze achter elkaar aan. Maar ik was ook niet meer zeker, want in mijn angst voelde ik weldra het bedrog. Wie kan immers zijn geliefde bedriegen? En om mezelf nog meer pijn te doen ben ik, in mijn schade eveneens listig geworden, naar zoveel middelen gaan zoeken, dat ze me op een dag, toen ik, in gezelschap en vol zorgen om hem, van de jacht kwam en aan tafel ging, aan mijn trieste ogen bewijzen kwamen laten zien van de liefde tussen hen beide. Mijnentwege waren ze haar op sluwe manier ontfutseld.

Ik kon het toen hier niet meer uithouden en zoals een wild dier, dat vermoeid van verre is gekomen met voedsel voor haar jongen en hen weggehaald vindt, de prooi uit de bek laat vallen, alle vermoeidheid vergeet en van de ene berg naar de andere rent, zo heb ik gedaan. Heel dit woud zij er een oprechte getuige van. Ik hield pas op toen ik hem in de schaduw van dit bosje hier aantrof, waar hij, naar hij zei, aan het uitrusten was vanwege de rust die toen inviel en vanwege de inspanningen die hij in zijn hart had gehad omdat hij haar die dag niet gezien had.

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar Hoofdstuk 77

(c) Ruud Ploegmakers 2017