Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 77

échecsd’amorsMaar dat was niet zo, want toen ik aankwam had ik haar, die slechts tot mijn ongeluk hier was gekomen, gehaast over een hoger gelegen stuk zien wegglippen en als ik me niet vergis, kwam zij niet ergens anders vandaan. Hierom en om al het andere bracht ik mijn toornige handen naar mijn haren en bedekte alle grond hier met haren, zoals u ziet. Toen hij met valse en vleiende woorden probeerde me te helpen en me omhelsde, wierp ik hem ver van me weg en vertelde hem alles in details en vroeg om God’s wraak over hem en zijn bedrog. Tenslotte richtte ik me in al mijn ellende weer tot mezelf met mijn handen, alsof ik, droevige, me zo op hem kon wreken.

Hij haalde toen uit zijn schoot een jachtnet te voorschijn, dat ik in een andere tijd eigenhandig voor hem had geknoopt om me ermee te troosten op de momenten dat ik hem niet zag. Hij strekte het voor me uit en liet me de letters zien, die ik er met veel kunstzinnige vaardigheid in had gemaakt en toen ik ze zag, raakten, ik weet niet hoe, mijn handen vastgebonden. Hij ontkende me vele malen, dat het was zoals ik hem gezegd had en zwoer plechtige eden en toen ik hem nog niet geloofde, antwoordde hij door op mijn en zijn leven een eed af te leggen. En op het laatst, toen hij zag dat er geen enkel ander middel was dat ik hem zou geloven, nam hij God tot zijn getuige, wendde zich tot waar de zon opkwam en zei slechts deze woorden: ‘U wilt me niet goedschiks geloven, dan zal ik ervoor zorgen dat u me gelooft, wanneer u er alleen nog maar spijt van zult krijgen’.

Zo heeft hij zich omgedraaid en is voor altijd weggegaan en mijn ziel nodigde me uit meteen achter hem aan te gaan, maar mijn boosheid had toen een grotere macht over mij dan mijn verstand en zo is hij dus vertrokken. Ik heb hem niet eens om me los te maken. Of hij nog aan me gedacht heeft of niet, doet er niet toe, hij is niet meer teruggekeerd. Ik wilde meteen luid om hulp roepen, maar de schaamte dat iemand me met de handen vastgebonden zou zien verhinderde me, tot op dit moment. Want de nacht en de zwakte van mijn geest, waarin ik zekere tekenen zag dat ik niet lang meer zou leven, hebben me doen roepen en het lot heeft gewild, zo blijkt, dat u me hoorde.

Ziehier hoe ik in korte tijd heel het door mij geleden ongeluk verteld heb en wat staat te gebeuren kan alleen maar droevig zijn, want wie mij zo heeft kunnen achterlaten, had me al eerder verlaten vanwege een ander. En de gift die ik van u heb aanvaard, is niet dat u me op hem wreekt, want ik heb hem zoveel onheil toegewenst, dat dit kleine kwaad er niet meer toe doet. Ik wil, dat u mij op haar wreekt.’

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar Hoofdstuk 78

(c) Ruud Ploegmakers 2017