Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 78

geliefdestraffenAvalor stond zo versteld van dit verzoek dat hij niets kon uitbrengen. Hij voelde dat het hem onheil zou brengen. Mijn vader zei dat zij, die als vrouw onbeschermd was, tot hem sprak: ‘Heer ridder, weifelt u nog? Vergeet u niet, dat u na het afleggen van de belofte niet meer mag aarzelen.’
‘Ik aarzel niet, vrouwe’, antwoordde hij, ‘Maar ik verbaas me erover hoe het lot mij tegenwerkt.’
‘Waarin?’, vroeg zij.

‘Dat zal ik u vertellen,’ antwoordde hij. ‘Toen mijn vader nog een kleine jongen was, werd hij door de grote redeloosheid van het lot van zijn geboortegrond  ver weg naar een ander land gevoerd. Daar in dit vreemde land heeft hij na man te zijn geworden door edele en grootse wapenfeiten niet minder status verdiend dan hem toekwam in zijn natuurlijke land waar hij van hoge adellijke afstamming en bloed was. Hij vertelde mij alle grootse wapenfeiten, die hij verricht had. Eén daarvan hoorde ik toen ik nog klein was.

Hij was ooit alleen over een weg tussen hoge en ruwe bergkammen gegaan en aangekomen bij een bron die van een helling omlaag viel, had hij onder een lommerrijke boom een rijk geklede jonkvrouw slapend aangetroffen. Toen hij goed keek, had hij gezien dat het gedeelte van haar gezicht dat ze bedekt hield, was doorkrast door als het ware toornige handen en er liepen enkele bloedsporen overheen. Hij steeg toen van zijn paard om haar beter te bekijken en ook om te weten of hij haar van dienst kon zijn. Haar toestand van verwaarlozing bracht hem zonder enige aarzeling tot medelijden. Maar toen hij was afgestegen, werd zij prompt wakker, richtte haar ogen op hem en zei:
‘Waarom ben je afgestegen, ridder. Droevige jonkvrouwen zijn er niet om bekeken te worden’.
‘Ze zijn er juist om gediend te worden’, antwoordde hij haar. ‘Maar mocht u er moeite mee hebben, vrouwe, dan zal ik om u niet van dienst te zijn me alsnog omkeren en gaan. De deernis die u in me wekte toen ik u tussen deze keien zag, deed me afstijgen om te zien of u me iets zou opdragen, waarmee ik uw wensen zou kunnen vervullen. Dit leek ik u verschuldigd te zijn omdat ik hier juist op dit moment ben langsgekomen’.
‘Wat helpt het’, antwoordde zij toen, ‘als ik u zeg, dat het ongeluk waarin ik verkeer noodzakelijk is? Al gaf u mij hulp, het zou me nergens toe dienen’.
‘Wie uw mooie gelaat zozeer heeft geschaad’, had hij haar toen gezegd, ‘kan geen man van grote wapenfeiten zijn’.

‘Inderdaad, heer ridder’, voegde zij toe aan zijn woorden, die haar uit een goed hart gesproken leken te zijn. ‘Ik heb mezelf het grote verdriet dat u ziet, toegebracht en een nog groter heeft een ander, van wie ik het niet verdiend heb, me in mijn ziel en mijn leven aangedaan en die wonden zullen pas op de lange duur te zien zijn’.
Hierop bracht zij haar handen naar haar lange haren, die, in de staat waarin ze waren, voorheen al niet gespaard leken te zijn voor enkel dit moment en begon er vol smart aan te rukken, totdat mijn vader haar te hulp was geschoten en om genade had gesmeekt, zo zei hij, en hij had haar tot rust gebracht door te zeggen dat hij, voorzover hij kon, zou zorgen dat zij genoegdoening kreeg, zo niet dat hij dan zou sterven door haar opdracht, maar ze moest hem in ieder geval zeggen, wat er aan de hand was. Toen begon ze te vertellen en sprak deze woorden tot hem:

Copyright: Ruud Ploegmakers
Naar Hoofdstuk 79

(c) Ruud Ploegmakers 2017