Vertalingen uit het Portugees

Hoofdstuk 79

amor‘Niet ver van deze bergen ligt een sterke burcht, waar een oom met zijn twee neven woont. Hij beschermt het in dienst van een heer van heel dit land, die met een andere vazal op dit moment oorlog voert. Eén van die neven heeft me uit het huis van mijn moeder gehaald, mijn vader ben ik immers al lang geleden kwijt geraakt met de bedoeling, zo komt het me voor, dat ik nu nog meer ontheemd ben. Nadat hij me heel lang in dit kasteel tot zijn genoegen heeft gehouden, heeft hij mij verlaten vanwege een vrouw, die mooi maar bedrieglijk was en bij lotsbeschikking langs was gekomen samen met een andere ridder, die ze op wrede wijze hebben gedood om hem aan haar te ontnemen. Hij heeft me liefdeloos buiten de poort van het kasteel gezet op de dag dat hij die ander bij zich heeft genomen. En om haar nog meer aan zich te binden heeft hij mij, voordat hij haar bij zich haalde, bevolen me rijk te kleden en op te sieren en meteen daarop dacht hij, de snode wreedaard, haar op een bijzondere manier tevreden te stellen door me buiten te zetten, de poort dicht te doen, samen met haar in een hoog uitkijkgat plaats te nemen en tot haar te zeggen: ‘Voor u alleen, vrouwe, verlaat ik dat daar, ik had daar de macht toe en ik geniet ervan’. En om die woorden luister bij te zetten heeft zij haar armen om zijn nek geslagen en hem vele malen gekust. En toen ik op zo redeloze wijze door een ander bezeten zag, wat alleen mij rechtens toekwam, ben ik uit walging over het leven hier in dit land gekomen om te zien of ik niet een wild beest tegenkwam, dat zijn gram uit de mijne zou halen. Ik ben hier slechts vanaf hedenochtend, maar het lijkt me al wel duizend jaar dat ik hier rondloop. Vermoeid door kommer meer dan enkel vanwege mijn lichaam ben ik onlangs ingeslapen. Behaagde het maar aan God, dat ik nooit meer wakker werd’.

Uit erg groot medelijden met haar, zei mijn vader, dat hij tegen haar had gezegd, dat zij, alstublieft, hem het kasteel zou tonen. Hij was te paard gestegen en had haar bij haar middel genomen en erop geholpen en hoe snel ze ook reden, ze kwamen er pas diep in de nacht aan. Hij vreesde dat ze de poort niet wilden openen noch een gevecht met hem wilden aangaan. Wie immers laagheden tegenover dames beging, zou het daarbij niet laten. Hij nam zijn toevlucht onder een balkon, dat naast de poort van het kasteel, waarvoor een hangbrug lag, was gebouwd. Toen een dienaar ’s morgens de poort openmaakte, stond hij, voordat zij het in de gaten hadden, in volle wapenrusting, die hij die nacht had aangehouden, op. Hij bedreigde de poortwachter en gooide hem van de brug, zodat hij stil was. Toen beval hij de jonkvrouw dat ze hem het paard bracht. Zij deed het snel. Te paard was hij een groot erf binnengereden, dat midden in het kasteel lag en had tegen de jonkvrouwe, die bij de poort gebleven was, gezegd:

‘Nu is het hele kasteel van u, vrouwe, met alles wat erin is’. Op deze woorden en het snuiven van het paard waren die van het kasteel aan de vensters verschenen, ook de jonkvrouw die in het kasteel was. Ze had een lang hemd, waarmee ze was opgestaan, aan en kon zichzelf niet inhouden om met een minachting van de mouw van het hemd te zeggen: ‘Alles wat in het kasteel is, wat dan ook zal altijd onder de wil van mijn heer vallen, want het is van mij en zal dat blijven, zolang hij het zien kan’.

Toen mijn vader naar boven keek en de vrouw zag, zweeg hij en ging naar de poort van het kasteel, sloot hem met de sleutels, die hij de poortwachter had afgenomen en gaf ze aan de jonkvrouwe, met wie hij gekomen was en zei haar: jogral‘Hier, vrouwe, zijn uw sleutels. Ze behoren u toe en niemand anders’. Hij reed naar een kant van het erf met de lans op zijn heup en even later zag hij aan de andere meer naar binnen gelegen kant van het erf een grote ridder komen, die veel kracht uitstraalde, prachtig bewapend was en op een schitterend paard zat, de lans in de hand en het schild ter bescherming opgeheven hield, op het punt ten strijde te trekken. En mijn vader vertelde, dat hij, aangekomen waar mijn vader stond, tegen de vrouw die hem daarheen had gevoerd in overmatige toorn deze woorden sprak:

LAUS DEO.

 

Copyright: Ruud Ploegmakers

(c) Ruud Ploegmakers 2017